Art. 34 Regeling luchtvaartvertoningen, Verplichtingen voor de deelnemer
Regeling luchtvaartvertoningen
1. De deelnemer met een categorie A demonstratietoestel, zeilvliegtuig of valschermzweeftoestel zorgt ervoor dat ten aanzien van de vertoningvlucht:
a. de vertoninglijn en de minimum scheidingsafstanden zoals weergegeven in tabel 5 van de bijlage, behorend bij deze regeling, in acht worden genomen;
b. de vastgestelde minimum vlieghoogte in acht wordt genomen;
c. de uitvoering van het onderdeel niet eerder begint dan na het bereiken van de vastgestelde minimum vlieghoogte en de minimum scheidingsafstanden zoals weergegeven in tabel 5 van de bijlage, behorend bij deze regeling, in acht worden genomen;
d. manoeuvres zodanig worden uitgevoerd dat de vertoninglijn niet wordt overschreden;
e. geen convergerende vluchten in de richting van de vertoninglijn worden uitgevoerd;
f. in een luchtverkeersdienstverleningsgebied klasse C tot en met G niet wordt gevlogen met een snelheid groter dan 250 knopen, tenzij in de vergunning dan wel in een tijdelijk gebied met beperkingen een grotere snelheid is vastgesteld;
g. de minimum zichtweersomstandigheden zoals vastgesteld in tabel 4 van de bijlage, behorend bij deze regeling, in acht worden genomen, onverminderd het bepaalde in artikel 20.
2. Het eerste lid, onderdelen a en b, is niet van toepassing indien:
a. het demonstratietoestel na de start een van het publiek af gerichte bocht maakt teneinde naar de vertoninglijn en de minimum hoogte te worden gemanoeuvreerd;
b. na het beëindigen van de vertoning het demonstratietoestel naar de baan wordt gestuurd, waarbij de hartlijn van de baan niet richting het publiek overschreden wordt.