Art. 1 Klachtenregeling ongewenste omgangvormen Financiën 2004

Klachtenregeling ongewenste omgangvormen Financiën 2004

In dit besluit wordt verstaan onder:

1. bevoegd gezag: de Minister;

2. klager: de persoon die zich wendt tot de vertrouwenspersoon, dan wel een klacht over ongewenste omgangsvormen indient bij de klachtencommissie;

3. beklaagde: de persoon tegen wie de klacht is gericht;

4. ongewenste omgangsvormen, voorzover voorkomend bij het Ministerie van Financiën, met uitzondering van de Belastingdienst (naast seksuele intimidatie, zoals bedoeld in de Klachtenregeling seksuele intimidatie burgerlijk rijkspersoneel):

a. discriminatie: beoordelen of veroordelen van mensen op grond van hun ras, huidskleur, afkomst, nationale of etnische afstamming, sekse en seksuele voorkeur;

b. agressie en geweld: zowel geestelijk als lichamelijk lastig vallen, bedreigen of aanvallen;

c. pesten of treiteren: gedrag dat als vijandig, vernederend of intimiderend wordt ervaren en steeds op dezelfde persoon in gericht (bespotten, kwaadspreken, het werk onaangenaam of zelfs onmogelijk maken).