Art. 4 Inconveniëntenregeling Tweede Kamer der Staten-Generaal

Inconveniëntenregeling Tweede Kamer der Staten-Generaal

1. De aanspraak op een toeslag als bedoeld in artikel 5, tweede lid, dan wel artikel 2, vervalt indien de betrokkene niet langer werkzaam is in een vergadergebonden functie of een vergadergebonden functie DVR.

2. Bij de uitvoering van het bepaalde in het eerste lid wordt een afbouwregeling in acht genomen, tenzij de betrokkene op eigen verzoek een andere functie, niet zijnde een vergaderfunctie, gaat vervullen.

3. In het kader van de afbouwregeling, bedoeld in het tweede lid, ontvangt de betrokkene vanaf het moment dat de aanspraak, bedoeld in het eerste lid, vervalt, gedurende vijf gelijke deelperioden achtereenvolgens een toeslag van 100%, 80%, 60%, 40% en 20% van de van toepassing zijnde berekeningsgrondslag. Voor de betrokkene met een toeslag als bedoeld in artikel 5, tweede lid, geldt als berekeningsgrondslag de toeslag zoals die onmiddellijk voor het vervallen van de toeslag werd toegekend. Voor de betrokkene met een toeslag als bedoeld in artikel 2 geldt als berekeningsgrondslag het gemiddelde bedrag van het vaste en variabele deel van de toeslag, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, gezamenlijk, gerekend over een periode van twaalf maanden direct voorafgaan aan het vervallen van de toeslag.