Bijlage IV Besluit PDV bemonsterings-en keuringsprocedure diervoedersector 2003: : Toleranties

Besluit PDV bemonsterings-en keuringsprocedure diervoedersector 2003

De in de bijlage opgenomen toleranties betreft het maximale acceptabele verschil tussen het gedeclareerd, dan wel maximaal toegestane gehalte enerzijds, en het geanalyseerd gehalte anderzijds. Toevoegingsmiddel doseringsniveau gr/1000 kg tolerantie Flavophospholipol voor volledige en aanvullende voeders 50% Monensin-natrium (rund) 10- 40 25% Salinomycine-natrium 30- 60 20% Avilamycine voor volledige en aanvullende voeders 30% Toevoegingmiddel doseringsniveau gr/1000 kg tolerantie Decoquinaat 20-40 25% Monensin-natrium 90-125 20% Robenidine 30-66 25% Losalocide-natrium 75-125 20% Halofuginon 2-3 -50% +35% Narasin 60-100 20% Salinomycine- natrium 20-70 20% Narasin/Nicarbazin 80-100 20% Toevoegingsmiddel tolerantie Flavophospholipol 20% Monensin-natrium 15% Salinomycine-natrium 15% Toevoegingsmiddel tolerantie Monensin-natrium Zie 2.1 Robenidine 15% Narasin 15% Salinomvcine-natrium zie 2.1 Toevoegingsmiddel tolerantie OTC 15% Indien een toevoegingsmiddel of diergeneesmiddel niet wordt genoemd, betekent dit dat de tolerantie nog niet officieel is vastgesteld. 0,60% absoluut voor gehalten van meer dan 6%; 10,00% relatief voor gehalten van 1 tot 6%; 0,10% absoluut voor gehalten kleiner dan 1%; 1,80% absoluut voor gehalten hoger dan 20%; 9,00% relatief voor gehalten van 10 tot 20%; 0,90% absoluut voor gehalten kleiner dan 10%. 0,54% absoluut voor gehalten van meer dan 6%; 9,00% relatief voor gehalten van 1 tot 6%; 0,09% absoluut voor gehalten kleiner dan 1%; 1,60% absoluut voor gehalten hoger dan 20%; 8,00% relatief voor gehalten van 10 tot 20%; 0,80% absoluut voor gehalten kleiner dan 10%. Wanneer bij nader onderzoek door de controle-instantie meerdere monsters worden genomen om te controleren of de juiste vermelding van fosfor respectievelijk ruw eiwit heeft plaatsgevonden kan in de keuring met de volgende tolerantie worden gewerkt: Bij n monsters kan de tolerantie, genoemd in punt 4.1 en 4.2 worden gedeeld door √n, bij n>5 mag de tolerantie worden gedeeld door maximaal