Art. 28 Aanvullend luchthavenreglement Rotterdam, Nadere bepalingen met betrekking tot luchtvaartuigen
Aanvullend luchthavenreglement Rotterdam
Het in werking stellen van een vliegtuigmotor is slechts toegestaan indien:
a. maatregelen zijn genomen, welke voorkomen dat het betrokken vliegtuig zich kan verplaatsen;
b. in de onmiddellijke nabijheid van het luchtvaartuig voldoende brandblusmiddelen aanwezig zijn;
c. buiten het vliegtuig een ter zake bevoegd persoon zodanig is opgesteld, dat hij aanwijzingen kan geven aan degene die belast is met de controle van de bedieningsinstrumenten.