Art. 3 Regeling mandaat, volmacht en machtiging Rijksgebouwendienst 2003, Bevoegdheden voorbehouden aan directeur-generaal
Regeling mandaat, volmacht en machtiging Rijksgebouwendienst 2003
Aan de directeur-generaal en de plaatsvervangend directeur-generaal blijft voorbehouden het uitoefenen van:
a. de bevoegdheden op het terrein van Personeel & Organisatie, genoemd in bijlage 1;
b. de bevoegdheid tot het benoemen van een externe tot projectverantwoordelijke;
c. de bevoegdheid tot het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten die zijn genomen door de directeuren en de stafafdelingshoofden;
d. de bevoegdheid tot het beslissen omtrent het oprichten van een rechtspersoon;
e. de bevoegdheid tot het beslissen omtrent de vertegenwoordiging van de minister of de staatssecretaris in het orgaan van een rechtspersoon;
f. de bevoegdheid tot het beslissen omtrent de vertegenwoordiging van de Staat der Nederlanden, de minister/staatssecretaris of de Rijksgebouwendienst in rechte;
g. de bevoegdheid tot het vaststellen van vaststellingsovereenkomsten;
h. de bevoegdheid tot het vaststellen van beleidsregels;
i. de bevoegdheid tot het beslissen omtrent het verlenen van subsidie.