Bijlage 1 Interpretatie regelgeving cursusgelden: interpretatie regelgeving les- en cursusgelden
Interpretatie regelgeving cursusgelden
Let op: Het onderstaande is alleen van toepassing op cursusgeld, verschuldigd voor het volgen van (bekostigd) beroepsonderwijs (BBL en BOL met minder dan 850 contacturen), en niet van VAVO. Daarvoor is eveneens cursusgeld verschuldigd, maar met andere tarieven en cursusperioden; voor VAVO zijn er geen interpretatieproblemen gemeld en deze brief heeft dan ook geen betrekking op VAVO. De belangrijkste algemene uitgangspunten ten aanzien van de verplichting tot cursusgeld zijn: De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte.
- Een cursusjaar loopt van 1 augustus tot en met 31 juli;
- Cursusgeld wordt geheven per cursusjaar of voor dat gedeelte van de cursus dat daarbinnen valt;
- Een cursus vangt in het algemeen aan op 1 augustus. Er kunnen andere aanvangsdata zijn, bijvoorbeeld 1 februari.
- 1. De verplichting tot betaling van cursusgeld voor de deelnemer van 18 jaar of ouder vangt aan bij de aanvang van de cursus. Dat kan 1 augustus zijn, maar ook bijvoorbeeld 1 februari.
- 2. De peildatum voor de leeftijdsbepaling van de deelnemer is de aanvangsdatum van de cursus en vervolgens de aanvang van ieder cursusjaar (1/8).
- 3. Voor een deelnemer die later instroomt in een cursus geldt de aanvangsdatum van het cursusjaar of de eventuele latere aanvangsdatum van de cursus als peildatum voor de leeftijdsbepaling van deze deelnemer. Voorbeeld 1: De start van een 3-jarige cursus is op 1 oktober jaar x. De opleiding loopt tot 1 augustus jaar x+3. Een cursist stapt later in deze cursus en start op 1 december jaar x. Deze cursist is op 1 november 18 jaar geworden. De peildatum voor de leeftijdsbepaling is de aanvangsdatum van de cursus. De cursist was op deze aanvangsdatum (1 oktober jaar x ) nog geen 18 jaar en is dus geen cursusgeld verschuldigd voor de periode 1 december jaar x tot 1 augustus jaar x +1. Op 1 augustus jaar x+1 is de cursist 18 jaar en dus cursusgeld verschuldigd voor het tweede en het volgende cursusjaar (2 X 12 maanden). Schematisch als volgt: Ingeval deze cursist op 29 september jaar x 18 jaar was geworden, was voor de periode 1/12 x tot 1/8 x+1 wel cursusgeld verschuldigd (voor 8 maanden).
- 4. De verplichting tot betaling van cursusgeld eindigt op de einddatum van de cursus. Indien een individuele cursist de cursus voor het einde verlaat met het diploma, kan restitutie plaatsvinden. Voorbeeld 2: De start van een 3-jarige cursus is op 1 februari jaar x. De opleiding loopt tot 1 februari jaar x+3. De cursist van 18 jaar (of ouder) op peildatum 1 febr. jaar x betaalt de eerste periode 6 maanden cursusgeld (1 februari tot 1 augustus). Voor de 2 volgende cursusjaren is 12 maanden cursusgeld verschuldigd. Het laatste deel van de cursus loopt van 1 augustus x+2 tot 1 februari x+3: voor deze periode betaalt de cursist 6 maanden cursusgeld. Indien hij uitstroomt met diploma op 1 december x+2 kan voor twee maanden restitutie plaats vinden. Schematisch als volgt:
- 5. Voor een eenjarige cursus geldt voor de cursusgeldheffing een uitzondering: hierbij kan in één keer cursusgeld worden geheven voor de gehele duur van de cursus ongeacht de startdatum, bijvoorbeeld voor 12 maanden van 1/2 jaar x tot 1/2 jaar x+1.
- 6. Voor de cursist die in de loop van het cursusjaar binnen dezelfde onderwijsinstelling overstapt van de ene naar de andere cursus, behoeft geen afrekening van het cursusgeld plaats te vinden. Dit is wel het geval indien voor de nieuwe cursus een hoger tarief voor cursusgeld geldt: het verschil moet dan alsnog worden betaald door de cursist.
- 7. Voor het volgen van twee cursussen gelijktijdig bij dezelfde onderwijsinstelling is tweemaal cursusgeld verschuldigd. Dit punt wordt nader bezien in het kader van de maatregel uit het wetsvoorstel ”Korte klap” (zie ook de CFI informatiebrief van 28 mei 2003, BVH/ BVE-2003/70430M over dit onderwerp) dat bij meerdere inschrijvingen sprake is van éénmaal bekostiging.