Bijlage 2 Besluit PDV protocollen MINAS-regeling 2003: protocol vaststelling gehalten vochtrijke voedermiddelen MINAS-regeling
Besluit PDV protocollen MINAS-regeling 2003
De Verordening PDV erkenningsregeling MINAS leveranciers diervoeders 2003 (de MINAS-regeling) eist dat het gedeclareerde gehalte aan ruw eiwit, fosfor en droge stof gebaseerd wordt op o.a. In 2001 is in de MINAS-regeling de mogelijkheid opgenomen dat nadere richtlijnen voor minimale analysefrequenties voor onderzoek in (vochtrijke) voeders worden vastgesteld. In artikel 5, lid 1 van de verordening is vereist dat het werkelijke gehalten vermeld moet worden. In artikel 5, lid 7, staat dat richtlijnen voor het vaststellen van te declareren gehalte kunnen worden voorgeschreven. In artikel 5, lid 2, eerste gedachtestreepje en lid 3 wordt gesproken over nadere richtlijnen op het punt van bemonstering en analysefrequentie. Dit protocol vermeldt voor vochtrijke voedermiddelen (> 14% vocht) de uitgangspunten die gelden voor de vaststelling van de te declareren MINAS-gehalten en voor de minimumfrequentie van analytisch onderzoek. Tevens wordt aangegeven hoe het MINAS-erkende bedrijf het te declareren gehalte moet vaststellen en welke minimumfrequentie van onderzoek hij moet hanteren. Het uitgangspunt is dat het MINAS-erkende bedrijf per gehalte met een voortschrijdend gemiddeld gehalte werkt. Dit gemiddelde gehalte berekent het bedrijf per product per locatie4Dit betekent dat een product, afkomstig van 1 leverancier maar geleverd vanaf meerdere locaties, per locatie beschouwd moet worden. Zie ook 4.1.4. en 4.1.5. uit een aantal waarnemingen. Hij stelt hiertoe eerst het gemiddelde gehalte vast (aanvangsgemiddelde). Vervolgens onderhoudt hij dit gemiddelde gehalte door regelmatig monsters te analyseren en de analyseresultaten toe te voegen aan de gegevens, die nodig zijn om de gemiddelde gehalten te berekenen. De oudste gegevens worden telkens verwijderd (voorschrijdend gemiddelde) De analysefrequentie hangt af van Analysegegevens van een product vertonen een zekere spreiding. Wanneer we een gemiddelde berekenen uit de afzonderlijke analysegegevens zal ook aangegeven moeten wor
- resultaten van analytisch onderzoek van voedermiddelen en voeders, en
- op berekeningen, uitgaande van bekende gehalten van de in het mengvoeder verwerkte voedermiddelen. Dit laatste geldt voor mengvoeders.
- het gehalte aan ruw eiwit en fosfor, en
- de variatie in het gehalte aan droge stof resp. ruw eiwit en fosfor in de droge stof.
- 4.1.1 Het MINAS-erkende bedrijf definieert zijn product(en) en legt dit vast, Belangrijk zijn uiteraard de voor MINAS belangrijke parameters vocht/ds, ruw eiwit en fosfor. Van deze gehalten stelt het bedrijf de gemiddelde waarde en de standaarddeviatie (sd) vast.
- 4.1.2 Voor een nieuw product gebeurt dit als volgt:
- 4.1.2.1 Het gemiddelde gehalte en de sd voor vocht/ds, ruw eiwit en fosfor berekent het bedrijf op basis van minimaal 5 analyse-uitslagen, verkregen in de eerste 3 maanden.
- 4.1.2.2 Gedurende de daarop volgende 6 maanden onderzoekt het bedrijf nogmaals minimaal 5 monsters van het product op vocht/ds, ruw eiwit en fosfor.
- 4.1.2.3 Deze gegevens voegt hij toe aan de dataset, verkregen bij 4.1 2.1. Hij berekent opnieuw op basis van minimaal 10 analyse-uitslagen het gemiddelde gehalte en de sd voor vocht/ds, ruw eiwit en fosfor.
- 4.1.2.4 Daarna volgt hij dit protocol vanaf 4.2.
- 4.1.3 Van een bestaand product (d.w.z. reeds langer op de markt) berekent het bedrijf op basis van de meest recente 10 analyse-uitslagen het gemiddelde gehalte en de sd voor ds/vocht, ruw eiwit en fosfor. Daarna volgt hij dit protocol vanaf 4.2.
- 4.1.4 Uitgangspunt is definiëring per product per locatie, tenzij het MINAS-erkende bedrijf kan aantonen dat er geen verschil is tussen eenzelfde product van diverse locaties.
- 4.1.5 Een bedrijf dient 1 keer per 3 jaar aan te tonen dat er geen sprake is van een verschil tussen een zelfde product van diverse locaties. Er is geen verschil tussen een zelfde product van meerdere locaties indien het verschil (berekend uit minimaal 5 analyse uitslagen) tussen de gemiddelde waarden kleiner is dan de helft van de toegestane afwijking (tolerantie)5berekend over het gemiddelde van de totale dataset, die is vastgelegd in het Besluit bemonsterings-en keuringsprocedure 1998.
- 4.1.2. Nadat het bedrijf volgens de onder 4.1 beschreven werkwijze per product per locatie het gemiddelde gehalte en de sd voor ds/vocht, ruw eiwit en fosfor heeft vastgesteld, dient hij dit gemiddelde gehalte te onderhouden. Hij volgt daartoe de hieronder beschreven werkwijze.
- 4.1.3. Het bedrijf stelt op basis van de sd en de MINAS-tolerantie (vastgelegd in het Besluit bemonsterings-en keuringsprocedure 1998) met behulp van de figuur6De in deze figuur genoemde frequenties voor jaarlijks monsteronderzoek zijn vastgesteld op basis van een 95% betrouwbaarheidsinterval, dwz de kans is 95% dat de afwijking van het werkelijke gemiddelde van het product t.o.v. het berekende gemiddelde binnen de MINAS-toleranties valt. in bijlage 1 vast hoeveel monsteronderzoek in de komende 12 maanden noodzakelijk zijn om het gemiddelde gehalte te kunnen onderhouden. Het minimale aantal analyse-uitslagen is 6 per jaar.
- 4.1.4 De benodigde aantallen legt het bedrijf vast in een bedrijfsintern monsteronderzoeksprograrnma. De monsters worden verspreid over deze 12 maanden genomen en onderzocht.
- 4.1.5 Na elk monsteronderzoek stelt het bedrijf uiterlijk binnen 2 weken opnieuw het gemiddelde gehalte vast. Hij doet dit op basis van de meest recente 10 waarnemingen. Dit gemiddelde gehalte hanteert het bedrijf vervolgens t.b.v. de MINAS-administratie en -etikettering.
- 4.1.6 Na afloop van de periode van 12 maanden stelt het bedrijf opnieuw vast hoeveel monsters voor de komende 12 maanden onderzocht moeten worden om het gemiddelde gehalte te onderhouden. Hij gaat hierbij uit van de meest recente 10 waarnemingen en volgt werkwijze vanaf 4.2.1.
- 4.1.7 Voor producten met minder dan 75 gram ruw eiwit per kg droge stof mag het bedrijf ook het gemiddelde gehalte onderhouden door per periode van 12 maanden minimaal 6 monsters te onderzoeken. Daarbij neemt het bedrijf 4.2.3 en 4.2.4 in acht.
- 4.1.8 Voor producten met minder dan 2 gram fosfor per kg droge stof mag het bedrijf ook het gemiddelde gehalte onderhouden door per periode van 12 maanden minimaal 6 monsters te onderzoeken. Daarbij neemt het bedrijf 4.2.3 en 4.2.4 in acht.
- ● Het bedrijf onderzoekt minimaal 5 monsters op de relevante MINAS-kenmerken (=ds/vocht, RE en P) en berekent het gemiddelde en standaarddeviatie van deze kenmerken.
- ● Vervolgens onderzoek het bedrijf minimaal 1 maal per maand een monster op de MINAS- kenmerken wanneer het product < 6 maanden per jaar beschikbaar komt.
- ● Voor het overige werkt het bedrijf zoveel mogelijk volgens de richtlijnen die in dit protocol zijn genoemd.
- ● Gehalten van producten die vermeld worden in tabel 2 van bijlage D kunnen worden overgenomen.