Bijlage 2 Rsvlv: , als bedoeld in artikel 3 en 4, tweede lid (minimumafstanden)
Regeling stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden (Rsvlv)
De afstand bedraagt voor alle diercategorieën waarvoor in bijlage 1 geen omrekeningsfactoren is vastgesteld: Omgevingscategorie I 100 meter Omgevingscategorie II 100 meter Omgevingscategorie III 50 meter Omgevingscategorie IV 50 meter Deze afstanden gelden niet voor de pelsdieren. Voor pelsdieren (nertsen en vossen) wordt de afstand als volgt bepaald. Nertsen (fokteven): 0-1000 1001-1500 1501-3000 3001-6000 6001-9000 Omgevingscategorie I 175 meter 200 225 250 275 Omgevingscategorie II 150 175 200 225 250 Omgevingscategorie III 100 125 150 175 200 Omgevingscategorie IV 75 100 125 150 175 In de berekening worden jongen en reuen buiten beschouwing gelaten. Indien zowel nertsen als vossen, dan wel uitsluitend vossen worden gehouden, worden voor het bepalen van de afstand 10 vossen (fokmoeren) gelijkgesteld met 15 nertsen (fokteven). Indien (nadat de eventueel aanwezige vossen zijn omgerekend naar nertsen) meer dan 9000 fokteven worden gehouden, wordt de afstand voor elke extra 3000 fokteven met 25 meter extra vergroot. Indien de pelsdieren in emissiearme huisvesting (a.e. ≤ 0,25 kg/dierplaats) worden gehouden, worden de afstanden uit de tabel voor de omgevingscategorieën III en IV met 25 meter verminderd. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelingsgebieden- en verwevingsgebieden in werking treedt.