Bijlage II Verordening PDV diervoeders 2003: bij Hoofdstuk 3, Verkeer voedermiddelen
Verordening PDV diervoeders 2003
Deze onderverdeling in hoofdstukken kan niet gebruikt worden bij de vermelding van categorieën van voedermiddelen als bedoeld in artikel 7:3:2 van de Verordening. Vermelding van categorieën van voedermiddelen in het kader van de etikettering dient te geschieden conform de uitgebreidere indelingen van bijlage Vla respectievelijk VIb. Wanneer bij de benaming van een in deel B vermeld voedermiddel één of meer woorden tussen haakjes zijn opgenomen, mag het gedeelte tussen haakjes naar believen worden toegevoegd of weggelaten; bijvoorbeeld voor "soja(bonen)olie" mag zowel de benaming "sojabonenolie" als de benaming "sojaolie" worden gebruikt. In het hierna volgende glossarium wordt verwezen naar de belangrijkste procédés die worden gebruikt voor de vervaardiging van de voedermiddelen die zijn vermeld in deel B en deel C van deze bijlage. Wanneer in de namen van deze voedermiddelen een naam of term uit dit glossarium voorkomt, moet het te gebruiken procédé in overeenstemming zijn met de gegeven definitie. Procédé Definitie Gebruikelijke naam/ Benaming Concentreren Verhogen van het gehalte aan bepaalde stoffen door het onttrekken van water of andere bestanddelen Concentraat Ontdoppen1"Ontdoppen" kan, in voorkomend geval, worden vervangen door "schillen" of "pellen". De gebruikelijke naam of benaming is dan "geschild" of "gepeld". Het geheel of gedeeltelijk verwijderen van de buitenste lagen van graankorrels, zaden, vruchten, noten, enz. Ontdopt, gedeeltelijk ontdopt Drogen Het onttrekken van water door middel van een kunstmatig of een natuurlijk procédé Gedroogd (zon of kunstmatig) Extraheren Het onttrekken, met behulp van een organisch oplosmiddel, van vet of olie aan bepaalde voedermiddelen, dan wel met behulp van een waterig oplosmiddel, van suiker of andere in water oplosbare componenten. Bij gebruik van een organisch oplosmiddel moet het daarbij verkregen product technisch vrij zijn van dat oplosmiddel Schroot (voor oliehoudend materiaal) Melasse, pulp (voor suikerhou
- 1. De voedermiddelen zijn in de lijst van deel B opgenomen en benoemd met inachtneming van de volgende criteria:
- de oorsprong van het product/bijproduct, bijvoorbeeld plantaardig, dierlijk, mineraat;
- het deel van het product/bijproduct dat wordt gebruikt, bijvoorbeeld geheel, zaden, knollen, beenderen;
- de bewerking die het product/bijproduct heeft ondergaan, bijvoorbeeld ontdopping, extractie, verhitting en/of het daarbij verkregen product/ bijproduct, bijvoorbeeld vlokken, zemelen, pulp, vet;
- de rijpheid van het product/bijproduct en/of de kwaliteit van het product/ bijproduct, bijvoorbeeld "met een laag glucosinolaatgehalte", "vetrijk", "suiker arm".
- 2. De lijst in deel B is onderverdeeld in twaalf hoofdstukken:
- 1. Granen en daarvan afgeleide producten en bijproducten
- 2. Oliehoudende zaden, oliehoudende vruchten en daarvan afgeleide producten en bijproducten
- 3. Zaden van peulvruchten en daarvan afgeleide producten en bijproducten
- 4. Knollen, wortels en daarvan afgeleide producten en bijproducten
- 5. Overige zaden en vruchten en daarvan afgeleide producten en bijproducten
- 6. Voedergewassen en ruwvoedergewassen
- 7. Overige planten en daarvan afgeleide producten en bijproducten
- 8. Melkproducten
- 9. Producten van landdieren
- 10. Vis, andere zeedieren en daarvan afgeleide producten en bijproducten
- 11. Mineralen
- 12. Diversen
- 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 3, moeten voedermiddelen, voorzover dat in verband met "good manufacturing practices" mogelijk is, vrij zijn van chemische onzuiverheden die direct verband houden met het gebruik, tijdens het fabricageproces, van technische hulpmiddelen als bedoeld in Richtlijn 70/524/EEG, tenzij voor een bepaald voedermiddel een maximumgehalte is vastgesteld in deel B van Bijlage II.
- 2. Voor in deel B en deel C vermelde producten en bijproducten moet de botanische zuiverheid ten minste 95% bedragen voorzover in deel B of deel C geen andere waarde is vastgesteld. Als botanische onzuiverheden worden beschouwd:
- a) natuurlijke maar onschadelijke vreemde bestanddelen (bijvoorbeeld stro- en kafdeeltjes, zaden van andere geteelde soorten, onkruidzaden);
- b) onschadelijke resten van andere oliehoudende zaden of vruchten, afkomstig van een eerdere be- of verwerking, voor zover de hoeveelheid van deze resten 0,5 % niet overschrijdt.
- 3. De voornoemde gehalten hebben betrekking op het gewicht van het product of bijproduct als zodanig.
- 1. De aangegeven of de te vermelden gehalten hebben betrekking op het gewicht van het voedermiddel als zodanig, tenzij anders is vermeld.
- 2. Behoudens de bepalingen van artikel 3 en artikel 6, lid 3, onder b), van de richtlijn en voor zover in deel B of deel C van deze bijlage geen ander gehalte is vastgesteld, moet het watergehalte van het voedermiddel worden aangegeven als het hoger is dan 14% van het gewicht van het voedermiddel. Bij voedermiddelen waarvan het vochtgehalte het bovenstaande maximum niet overschrijdt, moet dat gehalte op verzoek van de koper worden aangegeven.
- 3. Behoudens de bepalingen van artikel 3 van de richtlijn en voor zover in deel B of deel C van deze bijlage geen ander gehalte is vastgesteld, moet het gehalte aan in zoutzuur onoplosbare as worden aangegeven als het hoger is dan 2,2 % ten opzichte van de droge stof.
- denaturerende middelen: aard en hoeveelheid van de gebruikte producten,
- bindmiddelen: aard van de gebruikte producten.
- 1. Bij voedermiddelen die bestaan uit van weefsel van zoogdieren afkomstig eiwit, dient in de etikettering de volgende vermelding te worden aangebracht: "Dit voedermiddel bestaat uit van weefsel van zoogdieren afkomstig eiwit dat niet aan herkauwers mag worden vervoederd.'' Deze bepaling geldt niet voor:
- melk en melkproducten,
- gelatine,
- gehydroliseerd eiwit met een molecuulgewicht van minder dan 10.000 dalton, dat:
- a) is verkregen uit huiden, afkomstig van dieren die in een slachthuis zijn geslacht, waarbij door een officiële dierenarts een antemortemkeuring is verricht overeenkomstig hoofdstuk VI van bijlage I bij Richtlijn 64/433/EEG, en op grond van die keuring geschikt zijn bevonden om overeenkomstig die richtlijn te worden geslacht; en
- b) is vervaardigd met gebruikmaking van een productieprocédé waarbij de nodige maatregelen worden getroffen om verontreiniging van de huiden zoveel mogelijk te voorkomen, de huiden worden gepekeld, gekalkt en intensief gewassen en het materiaal vervolgens wordt blootgesteld aan een pH van meer dan 11 gedurende meer dan drie uur bij een temperatuur van meer dan 80°C en de huiden vervolgens een hittebehandeling ondergaan bij meer dan 140°C gedurende 30 minuten bij een druk van meer dan 3,6 bar, of, met gebruikmaking van een gelijkwaardig, door de Commissie, na raadpleging van het terzake bevoegde Wetenschappelijk Comité, goedgekeurd procédé; en
- c) komt uit inrichtingen die een programma inzake interne controles (HACCP) uitvoeren.
- dicalciumfosfaat uit ontvette beenderen,
- gedroogd plasma en andere bloedproducten.