Bijlage 17.1 Verordening PDV certificatie GMP diervoedersector 2003: normen Diervoeders voor de productie van varkensvlees volgens Japanstandaard GMP - regeling diervoedersector GMP17.1; 11-4-2003
Verordening PDV certificatie GMP diervoedersector 2003
Toevoegings- of diergeneesmiddel Maximum residuniveau in vlees (mg- /kg) Maximum niveau in Japanvoeder (mg/kg) Amprolium 0,02 2 Meticlorpindol 0,01 0,25 Decoquinaat 0,1 2 Ethopaat 0,01 Gekoppeld aan Amprolium en daarmee voldoende geborgd. Nicarbazin 0,03 0,1(*)Dit betekent volledige scheiding van produktie, opslag en transport, tenzij aantoonbaar is dat dit door zeer lage verslepingsniveaus danwel gebruik van speolcharges wordt beheerst. Robenidine 0,05 0,8 Dinitolmide 0,01 2(**)Deze norm zal worden gehanteerd totdat nadere gegevens omtrent overdracht beschikbaar zijn. Carbadox 0,02 Binnen de GMP-regeling is de maximum norm voor vlees 0,005 mg/kg. Dit is lager dan de Japannorm, hetgeen betekent dat GMP voldoet, te weten 3 mg/kg in diervoeder Olaquindox 0,03 6 Sulfadimidinenatrium 0,02 0,2(*)Dit betekent volledige scheiding van produktie, opslag en transport, tenzij aantoonbaar is dat dit door zeer lage verslepingsniveaus danwel gebruik van speolcharges wordt beheerst. Sulfadiazine Sulfamethoxazol Sulfadimethoxine 0,02 0,03 1(*)Dit betekent volledige scheiding van produktie, opslag en transport, tenzij aantoonbaar is dat dit door zeer lage verslepingsniveaus danwel gebruik van speolcharges wordt beheerst. Trimethoprim 0,05 gekoppeld aan Sulfadiazine en daarmee voldoende geborgd Toevoegingsmiddel Maximum niveau in voormengsel (5 kg/ton) voor Japanvoeder (mg/kg) Amprolium 100 Meticlorpindol 12 Decoquinaat 100 Nicarbazin 5 Robenidine 40 Dinitolmide 100 Carbadox 150 Olaquindox 300 Bij een dosering van meer dan 5 kg/ton is het maximum niveau evenredig lager. De eisen zijn van toepassing voor voormengsels die zijn bestemd voor japanvoeders. Dit betekent dat een voormengselbereider de genoemde eisen niet behoeft toe te passen op voormengsels voor niet-japanvoeders.
- 1. Bij diervoeders respectievelijk voormengsels, waarvoor de garantie wordt afgegeven jegens afnemers dat deze voldoen aan de minimumeisen in de standaard wordt de aanduiding "Japanstandaard"op het etiket of het begeleidend document vermeld.
- 2. In de administratie dient aangetoond te kunnen worden welke afnemers bij hem als producenten van varkensvlees volgens deze standaard staan geregistreerd.
- 1 GMP-erkenning voor het werken volgens de GMP-standaard mengvoederbereiding is noodzakelijk.
- 2 De eisen hebben betrekking op het verwerken / verslepen van toevoegings- en diergeneesmiddelen in relatie tot residuvorming in varkensvlees. Voeders bestemd voor vleesvarkens vanaf 16 weken leeftijd / 45 kg lichaamsgewicht dienen te voldoen aan de maximum niveaus die zijn genoemd in bijlage II. Hier kan op de volgende wijze aan worden voldaan.
- 2.1 Nagaan en vastleggen of de in bijlage II genoemde middelen in de bedrijfseenheid voorkomen. De maximum verslepingsniveaus voor Sulfa's en Nicarbazin zijn zo laag dat het voor de praktijk nagenoeg niet mogelijk is deze middelen aanwezig te hebben danwel te verwerken in een bedrijfseenheid waar Japanvoeders worden gemaakt. Zelfs opslag en transport dient volledig gescheiden te zijn (het is riskant een buikwagen waar vleeskuikenvoeder met Nicarbazin is vervoerd, te beladen met Japanvoeder, tenzij een zeer indringende en strenge schoonmaakprocedure is toegepast). Meent u toch deze te kunnen verwerken, dan dient zeer duidelijk gedocumenteerd aantoonbaar gemaakt te worden op welke wijze dit wordt gerealiseerd, beheerst en gewaarborgd. De aantoonbaarheid is onvoldoende met alleen gebruiksvoorschriften, zoals die hierna in 2.2 t/m 2.5 zijn genoemd. Ook het nemen van een uitgebreid aantal monsters en uitvoeren van analyses is noodzakelijk. Wanneer niet gewerkt wordt met monstername mag ter meerdere veiligheid ook gewerkt worden met een factor 5 (i.p.v. 2) voor de vermenigvuldigingsfactor zoals die in punt 2.5 derde gedachtenstreepje wordt gebruikt.
- 2.2 De versleping van de installatie is gemeten vanaf het doseren van het voormengsel tot aan de inloop in de gereed produktsilo. Tussen het punt van doseren van het voormengsel en gereed produktsilo dient de versleping van alle eventuele deel(pers)lijnen bekend te zijn. Het rekenen met de versleping van een korter verslepingstraject is niet mogelijk.
- 2.3 Alle relevante deel(pers)lijnen moeten in het verslepingsonderzoek zijn betrokken. Onder "relevant" wordt verstaan deel(pers)lijnen waarover Japanvoeders worden gemaakt.
- 2.4 Speciale aandacht dient geschonken te worden aan het gebruik van retourstromen. Verwerking van retourstromen dient te gebeuren met in achtneming van de in bijlage II genoemde verslepingsniveaus.
- 2.5 Het gebruik van spoelcharges na een voeder, waarin een middel van bijlage II is verwerkt, voordat Japanvoeders wordt gemaakt kan als volgt berekend worden. Middels een voorbeeld is dit uitgewerkt. Voor alle in de bedrijfseenheid aanwezige middelen die in bijlage II dient deze berekening te zijn doorgevoerd alsook in de contaminatiematrix verwerkt.
- Na een vleeskuikenvoeder waarin Meticlorpindol wordt verwerkt in een dosering van 125 mg/kg is het de bedoeling Japanvoeder te maken. Maximum verslepingsniveau Meticlorpindol in Japanvoeder is volgens bijlage II 0,25 mg/kg.
- Gemeten versleping van de installatie middels een daarvoor vastgelegde toetsingsprocedure: 4 %
- Als gevolg van afwijkende verwerkingseigenschappen van de middelen, vermenigvuldigen van de gemeten versleping met minimaal een factor 2.
- De daadwerkelijke versleping komt hiermee op (4 x 2 =) 8 %.
- Het benodigde aantal spoelcharges is dan als volgt te berekenen: 125 mg/kg x 8 % = 10 mg/kg (te hoog) één spoelcharge: 10 mg/kg x 8 % = 0,8 mg/kg (nog te hoog) twee spoelcharges: 0,8 mg x 8 % = 0,064 mg/kg Na twee spoelcharges is het niveau in het voeder 0,064 mg/kg. Dit is lager dan het voorgeschreven maximum verslepingsniveau van 0,25 mg/kg. Na het toepassen van twee spoelcharges is het dus mogelijk om het Japanvoeder te produceren.