Bijlage 1 Bgrtk: standaardvoorwaarden voor de geruisloze omzetting als bedoeld in artikel 14c Wet Vpb
Schulden ter financiering van de verwerving na het overgangstijdstip van vermogensbestanddelen van de vennootschap die gaan behoren tot het vermogen van de voortgezette onderneming, aangegaan door de voortzettende aandeelhouder of de partner met wie hij in gemeenschap van goederen is gehuwd, worden tot het bedrag van de door de vennootschap betaalbaar gestelde liquidatie-uitkeringen gerekend tot de rendementsgrondslag voor het belastbare inkomen uit sparen en beleggen. Onder het betaalbaar stellen van een liquidatie-uitkering wordt voor de toepassing van de eerste volzin niet begrepen de voortzetting van de onderneming als bedoeld in artikel 4.15, vijfde lid, Wet IB 2001. Schulden ter financiering van de verwerving van aandelen in de vennootschap, in de drie jaren voorafgaande aan het overgangstijdstip aangegaan door de voortzettende aandeelhouder of de partner met wie hij in gemeenschap van goederen is gehuwd, worden, indien de aandelen zijn verworven van een rechtspersoon waarin de aandeelhouder van de te ontbinden vennootschap, al dan niet met zijn partner of een van de bloed- of aanverwanten in de rechte lijn van de aandeelhouder of zijn partner, voor ten minste eenderde gedeelte onmiddellijk of middellijk is gerechtigd, geacht te zijn aangegaan ter financiering van de aandelen in de vervreemdende rechtspersoon. Schulden ter financiering van de verwerving van vermogensbestanddelen door de vennootschap, in de drie jaren voorafgaande aan het overgangstijdstip aangegaan, worden, indien de vermogensbestanddelen zijn verworven van een rechtspersoon waarin de aandeelhouder van de te ontbinden vennootschap, al dan niet met zijn partner of een van de bloed- of aanverwanten in de rechte lijn van de aandeelhouder of zijn partner, ten tijde van de verwerving voor ten minste eenderde gedeelte onmiddellijk of middellijk is gerechtigd, geacht op het overgangstijdstip te zijn aangegaan door de aandeelhouder ter financiering van de aandelen in de vervreemdende rechtspersoon. In
- – het vervreemden van claims;
- – het verlenen van een koopoptie;
- – het inkopen van eigen aandelen door de vennootschap;
- – het afstempelen van aandelenkapitaal;
- – een verdeling van de gemeenschap waartoe de aandelen behoren;
- – het van rechtswege worden van aandeelhouder in een andere vennootschap, ingeval de vennootschap ophoudt te bestaan en het vermogen van de vennootschap onder algemene titel overgaat op de andere vennootschap, ook als de aandeelhouder van rechtswege houder wordt van rechten op aandelen in of schuldvorderingen op de andere vennootschap;
- – wijziging van de tenaamstelling van op naam gestelde aandelen.
- a. Lijfrente- en pensioenverplichtingen waarop artikel 3.133 Wet IB 2001 dan wel artikel 19b Wet LB 1964 van toepassing kan zijn Indien tot het vermogen van de vennootschap op of na het overgangstijdstip een lijfrente- of pensioenverplichting jegens de voortzettende aandeelhouder behoort, wordt voor het gedeelte van de verplichting dat niet wordt overgedragen aan een door de Wet IB 2001 dan wel Wet LB 1964 toegelaten verzekeraar, aangenomen dat sprake is van afzien door de gerechtigde van voor verwezenlijking vatbare rechten in de zin van artikel 3.133 Wet IB 2001 of artikel 19b Wet LB 1964, uiterlijk op het moment onmiddellijk voorafgaand aan het moment waarop de liquidatie van de vennootschap is beëindigd. Het voorgaande vindt geen toepassing indien en voor zover, gelet op de vermogenspositie van de vennootschap op het moment onmiddellijk voorafgaand aan het overgangstijdstip, sprake is van niet voor verwezenlijking vatbare rechten in de zin van de eerder genoemde bepalingen en de gerechtigde daadwerkelijk en formeel afziet van (een gedeelte van) die rechten. Tot laatstbedoeld bedrag is sprake van winst van de vennootschap in het jaar waarin wordt afgezien, waarop artikel 3.13 van de Wet IB 2001 toepassing kan vinden. Voor zover sprake is van kwijtscheldingswinst in de zin van artikel 3.13 Wet IB 2001, vermindert dit bedrag de met toepassing van artikel 3.151 Wet IB 2001 juncto artikel 14c, derde lid, Wet Vpb vast te stellen verliezen.
- b. Stamrechtverplichtingen als bedoeld in artikel 19 (oud) dan wel 44j (oud) Wet IB 1964 Indien tot het vermogen van de vennootschap op of na het overgangstijdstip een stamrechtverplichting jegens de voortzettende aandeelhouder behoort, welk stamrecht is bedongen met toepassing van artikel 19 (oud) dan wel artikel 44j (oud) van de Wet IB 1964, zoals deze bepalingen luidden op 31 december 1991, wordt voor het gedeelte van de verplichting dat niet wordt overgedragen aangenomen dat sprake is van afzien van voor verwezenlijking vatbare rechten in de zin van artikel 3.13 Wet IB 2001, uiterlijk op het moment onmiddellijk voorafgaand aan het moment waarop de liquidatie is beëindigd. Het voorgaande vindt geen toepassing indien en voor zover, gelet op de vermogenspositie van de vennootschap op het moment onmiddellijk voorafgaand aan het overgangstijdstip, sprake is van niet voor verwezenlijking vatbare rechten in de zin van artikel 3.13 Wet IB 2001 en de gerechtigde daadwerkelijk en formeel afziet van (een gedeelte van) die rechten. Tot laatstbedoeld bedrag is sprake van winst van de vennootschap in het jaar waarin wordt afgezien, waarop artikel 3.13 Wet IB 2001 toepassing kan vinden. Voor zover sprake is van kwijtscheldingswinst in de zin van artikel 3.13 Wet IB 2001, vermindert dit bedrag de met toepassing van artikel 3.151 Wet IB 2001 juncto artikel 14c, derde lid, Wet Vpb vast te stellen verliezen.