Bijlage 8 Regeling milieu-informatie luchthaven Schiphol: als bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2, 2.5 en 2.6 van de Regeling milieu-informatie luchthaven Schiphol
Regeling milieu-informatie luchthaven Schiphol
De LVNL zorgt ervoor dat zij de beschikking krijgt over de volgende door de LMD van het KNMI ter plaatse van het banenstelsel geregistreerde gegevens, welke zijn uitgedrukt in uurgemiddelde waarden gedurende het gehele etmaal, gedurende het gehele jaar: Indien volgens de gegevens in §3.1 onder e en in §3.1 onder a een nadering in de periode van 23:00:00 uur tot en met 05:59:59 uur lokale tijd heeft plaatsgevonden op baan 06 of 18R met een straalvliegtuig dat volgens §3.3.1 niet geheel binnen één van de luchtverkeerwegen is uitgevoerd, met als reden het ontbreken of het niet goed functioneren van technische voorzieningen, dient te worden geregistreerd: Het gebruikspercentage 400 Hz stroomvoorziening wordt aangeleverd op basis van de gegevens die bij de exploitant aanwezig zijn over de gebruikte stroomvoorziening per LTO. Dit gebruikspercentage 400 Hz stroomvoorziening is gedefinieerd in annex 8E1. Figuur 1. Bovenaanzicht van een startbaan: het baantolerantiegebied waarbinnen een vliegtuigbeweging niet als afwijking wordt aangemerkt Voor elke vlucht worden de uit het berekeningsvoorschrift geluidbelasting te gebruiken prestatiegegevens bepaald. Hiertoe wordt voor elke vlucht de bij de in §3.5.1 onder a, b of d bepaalde vliegtuigcategorie behorende vliegprocedure bepaald. Deze vliegprocedure wordt, overeenkomstig paragraaf 2.3 van de appendices, aangeduid met een viercijferige codering. Van deze codering betreffen de eerste twee cijfers het vluchtsoortnummer en de laatste twee cijfers het klassenummer. Voor naderingen wordt eerst het klassenummer bepaald en vervolgens het vluchtsoortnummer. Indien volgens de gegevens in §3.1 onder k sprake is van een vertrek, wordt voor de betreffende vlucht het vluchtsoortnummer bepaald overeenkomstig de allocatietabel ‘Vluchtsoortnummers voor starts vanaf Schiphol’ in de appendices. Indien uit de allocatietabel geen indeling volgt voor betreffende vlucht, wordt op basis van technische beschikbaarheid van prestatiegegevens voor betref
- AAA: Amsterdam Advanced Air traffic control;
- AIP: Aeronautical Information Publication;
- AMSL: Above Mean Sea Level;
- appendices: de vigerende versie van de bij het artikel 4.2.3, tweede lid van het besluit behorende ‘Appendices van de voorschriften voor de berekening van de geluidbelasting’;
- APU: Auxiliary Power Unit;
- ARTAS-APP: Advanced Radar Tracker And Server - Approach;
- baantijd: gerealiseerde aankomst- of vertrektijd van een vliegtuigbeweging bij het arriveren op de landingsbaan of verlaten van de startbaan;
- besluit: Luchthavenverkeerbesluit Schiphol;
- CCIS: Closed Circuit Information System;
- CDA: Continuous Descent Approach;
- DTHR: Displaced runway Threshold
- eindnadering: het moment waarop het vliegtuig op de verlengde aslijn van de landingsbaan het daalpad van minimaal 3 graden onderschept om te komen tot de voorgenomen landing ;
- etmaalperiode: periode van het etmaal waarover de geluidbelasting wordt berekend;
- GPU: Ground Power Unit;
- handelsverkeer: verkeersvluchten van luchtvaartmaatschappijen die open staan voor individuele boekingen voor passagiers, vracht of post, en die betreffen: geregelde vluchten, zijnde lijnvluchten of commerciële vluchten uitgevoerd op een vaste route volgens een gepubliceerde dienstregeling, en niet-geregelde vluchten, zijnde chartervluchten in het passagiers- en vrachtvervoer of commerciële vluchten met een ongeregeld karakter;
- handhavingspunt: een punt als bedoeld in artikel 4.2.1 derde lid van het besluit voor Lden en in artikel 4.2.2 derde lid van het besluit voor de Lnight;
- IFR: Instrument Flight Rules;
- KNMI: Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut;
- LDA: Landing Distance Available;
- LMD: Luchtvaart Meteorologische Dienst;
- LVNL-coördinatenstelsel: dit coördinatenstelsel is gebaseerd op hetzelfde principe als het Rijksdriekhoeksstelsel. De verschillen zijn: een andere oorsprong, te weten de verkeerstoren op Schiphol, en het LVNL-stelsel is geroteerd ten opzichte van het Rijksdriehoeksstelsel;
- MTOW: Maximum Take Off Weight; het maximale startgewicht van het vliegtuig;
- NM: Nautische Mijlen;
- positioneringsvluchten: vluchten ter ondersteuning van lijn- of chartervluchten;
- QNH: lokale luchtdruk ter plaatse van de luchthaven gecorrigeerd naar zeeniveau;
- RNAV: Area Navigation; een navigatiemethode die het vliegtuig toestaat elk gewenst vliegpad te volgen dat binnen het bereik van de grondnavigatie-apparatuur en/of binnen het bereik van de systemen aan boord van het vliegtuig ligt;
- schematijd: vooraf geplande aankomst- of vertrektijd van een vliegtuigbeweging bij het arriveren op of verlaten van de vliegtuig opstelplaats;
- SSR: Secondary Surveillance Radar;
- TAR: Terminal Approach Radar;
- UTC: Co-ordinated universal time;
- VFR: Visual Flight Rules;
- vigerende versie: versie geldend op het moment van registratie
- vlucht: vliegtuigbeweging van of naar Schiphol zoals geregistreerd met het registratiesysteem van de exploitant;
- a. het vluchtnummer met daarin de drie-letter code conform de vigerende versie van ICAO DOC 8585 voor de luchtvaartmaatschappij;
- b. vluchtsoort (vertrek of nadering);
- c. bij een vertrek: de luchthaven van eerste bestemming conform de vigerende versie van ICAO DOC 7910;
- d. bij een nadering: de luchthaven van herkomst conform de vigerende versie van ICAO DOC 7910;
- e. het tijdstip waarop de vliegtuigbeweging heeft plaatsgevonden. Dit betreft de ‘Actual time of arrival’ voor een nadering en de ‘Actual time of departure’ voor een vertrek. Dit tijdstip wordt uitgedrukt in datum, uren, minuten en seconden, in UTC;
- f. de gebruikte start- of landingsbaan;
- g. de ICAO-code van het vliegtuigtype, conform de vigerende versie van ICAO DOC 8643;
- h. de start- of landingsbaan waarvoor de gezagvoerder de klaring heeft gekregen, al dan niet op verzoek van de gezagvoerder;
- i. de SSR code;
- j. de door de LMD van het KNMI op de luchthaven geregistreerde QNH;
- k. bij een vertrek: de door de LVNL aan de gezagvoerder opgedragen standaardvertrekprocedure (SID);
- l. bij een nadering: de door de LVNL aan de gezagvoerder opgedragen vliegprocedure zijnde standaard of transitie nadering (CDA);
- m. of de vliegtuigbeweging onder VFR of IFR condities is uitgevoerd;
- n. het soort vliegtuig, onderverdeeld naar straalvliegtuig, propellervliegtuig of helikopter, conform de vigerende versie van ICAO DOC 8643;
- o. overige beschikbare gegevens die worden betrokken bij het koppelen zoals beschreven in §3.1 onder d, g en h.
- a. het tijdstip waarop de vliegtuigbeweging heeft plaatsgevonden. Dit betreft de ‘Actual Time of arrival’ voor een nadering en de ‘Actual time of departure’ voor een vertrek. Dit tijdstip wordt uitgedrukt in datum, uren, minuten en seconden, in UTC;
- b. de positiewaarnemingen, bestaande uit:
- – de vliegtuigpositie uitgedrukt in het LVNL-coördinatenstelsel (NM). Dit betreft de horizontale component van de waarneming;
- – de vlieghoogte in vliegniveaus afkomstig van de transponder van het vliegtuig. Dit betreft de verticale component van de waarneming;
- – het tijdstip van de waarneming. Dit tijdstip wordt uitgedrukt in datum, uren, minuten, seconden en tienden van seconden, in UTC;
- – de SSR code;
- – overige beschikbare gegevens die worden betrokken bij het koppelen van gegevens volgens §3.1 onder d.
- a. het tijdstip van de vliegtuigbeweging. Dit betreft het tijdstip van de eerste registratie voor een start en het tijdstip van de laatste registratie voor een nadering. Dit tijdstip wordt uitgedrukt in datum, uren, minuten en seconden, in UTC;
- b. per positiewaarneming:
- – de vliegtuigpositie in stereografische projectie;
- – de vlieghoogte afkomstig van de transponder van het vliegtuig, uitgedrukt in vliegniveaus;
- – het tijdstip van de waarneming. Dit tijdstip wordt uitgedrukt in datum, uren, minuten, seconden en tienden van seconden, in UTC;
- – de SSR code;
- – overige beschikbare gegevens die worden betrokken bij het koppelen van gegevens volgens §3.1 onder h;
- c. de geregistreerde gegevens onder b voldoen aan de nauwkeurigheidscriteria gesteld in ‘Eurocontrol standard document for radar surveillance in en-route airspace and major terminal areas, sur.ET1.ST01.1000-STD-01-01, maart 1997’; voor enkelvoudige primary and secondary surveillance radars of aan de door Eurocontrol op te stellen surveillance standard.
- a. het soort vliegtuig, onderverdeeld naar straalvliegtuig, propellervliegtuig of helikopter, conform de vigerende versie van ICAO DOC 8643;
- b. het motortype conform de aanduiding in annex 8E2;
- c. vervallen;
- c. het MTOW conform de meest actuele versie van Jane’s All The Worlds Aircraft;
- d. de baantijd (datum, uren en minuten) van de vlucht, in lokale tijd;
- e. het vluchtnummer;
- f. het soort vlucht, onderverdeeld in passagierslijnvluchten, passagierschartervluchten, vrachtlijnvluchten, vrachtchartervluchten, positioneringsvluchten en vluchten niet-handelsverkeer;
- g. overige beschikbare gegevens die worden betrokken bij het koppelen van gegevens volgens §3.1 onder g.
- a. de windrichting in graden;
- b. de windsterkte in knopen;
- c. de maximale windsnelheid (windstoten) in knopen;
- d. de hoeveelheid neerslag uitgedrukt in millimeter per uur;
- e. het horizontaal zicht in meters;
- f. de wolkenbasis in meters boven het aardoppervlak.
- a. De exploitant van de luchthaven en de LVNL zorgen ervoor dat zij de beschikking krijgen over de coördinaten van de baandrempels en heli-platforms. Deze coördinaten zijn uitgedrukt in het Rijksdriehoekstelsel.
- b. De beschikbare lengte voor de landing (LDA) per landingsbaan en landingsbaanrichting, uitgedrukt in meters.
- c. De afstand van de Displaced runway Threshold (DTHR) per landingsbaan en landingsbaanrichting, uitgedrukt in meters.
- a. of het vliegtuig is uitgerust met een RNAV systeem en of dit RNAV systeem functioneel was;
- b. of de navigatie-apparatuur zowel op de grond als in het vliegtuig functioneerde.
- a. de windrichting in graden;
- b. de windsterkte in knopen;
- c. de maximale windsnelheid (windstoten) in knopen;
- d. het draaien van de wind in graden;
- e. de baanstroefheid, onderscheiden naar nat of droog.
- a. De exploitant van de luchthaven zorgt ervoor dat zij de beschikking krijgt over de taxiprocedures die de luchtvaartmaatschappijen volgens de handboeken en de interne zorgsystemen voor drie- en viermotorige vliegtuigtypen toepassen;
- b. De onder a genoemde informatie wordt gebruikt om de percentages drie- en viermotorige vliegtuigen die na de landing met één uitgeschakelde motor van de landingsbaan naar de afhandelingsplaats taxiën te berekenen. Deze percentages worden als volgt berekend:
- – het percentage voor driemotorige vliegtuigen is gedefinieerd als de verhouding tussen het aantal driemotorige vliegtuigen dat na de landing met één uitgeschakelde motor van de landingsbaan naar de afhandelingsplaats taxiet en het totaal aantal landingen met driemotorige vliegtuigen;
- – het percentage voor viermotorige vliegtuigen is gedefinieerd als de verhouding tussen het aantal viermotorige vliegtuigen dat na de landing met één uitgeschakelde motor van de landingsbaan naar de afhandelingsplaats taxiet en het totaal aantal landingen met viermotorige vliegtuigen.
- a. Het in §2.1 onder e geregistreerde tijdstip wordt omgezet in lokale tijd (datum, uren, minuten en seconden) volgens annex 8A.
- b. Het in §2.2 onder b geregistreerde tijdstip wordt omgezet in lokale tijd (datum, uren, minuten en seconden) volgens annex 8A.
- c. Het in §2.3 onder b geregistreerde tijdstip wordt omgezet in lokale tijd (datum, uren, minuten en seconden) volgens annex 8A.
- d. Voor elke vliegtuigbeweging van of naar Schiphol geregistreerd in §2.1 worden de in §2.1 geregistreerde en de in §3.1 onder a berekende gegevens gekoppeld aan de in §2.2 geregistreerde en de in §3.1 onder b berekende gegevens van de betreffende vliegtuigbeweging.
- e. De onder d gekoppelde gegevens worden opgeslagen in een database.
- f. Indien onder d geen koppeling kan worden gemaakt, wordt de vliegtuigbeweging niet opgenomen in de database genoemd onder e.
- g. Voor elke vlucht worden de in §2.4 geregistreerde gegevens gekoppeld aan de in §2.1 geregistreerde en de in §3.1 onder a berekende gegevens van de betreffende vlucht.
- h. Voor elke vlucht worden de in §2.1 geregistreerde en de in §3.1 onder a berekende gegevens gekoppeld aan de in §2.3 geregistreerde en de in §3.1 onder c berekende gegevens van de betreffende vlucht.
- i. Indien onder g geen koppeling kan worden gemaakt, worden alleen de gegevens uit §2.4 gebruikt;
- j. Indien onder h geen koppeling kan worden gemaakt, worden de onder i vermelde gegevens aangevuld met de gegevens uit §2.1.
- k. De onder g, h, i en j genoemde gegevens worden opgeslagen in een database.
- a. Voor elke vlucht zoals beschikbaar in §3.1 onder k wordt de vliegbaan gereconstrueerd.
- b. De vliegbaan wordt gereconstrueerd in het horizontale vlak (grondpad) en in het verticale vlak (hoogteprofiel).
- c. Voor elke vlucht wordt het tijdstip van positiewaarneming zoals beschikbaar in §3.1 onder k omgezet in lokale tijd (datum, uren, minuten, seconden en tienden van seconden) volgens annex 8A.
- d. De vliegtuigposities en de vlieghoogten per positiewaarneming zoals beschikbaar in §3.1 onder k worden geconverteerd naar X, Y, Z-coördinaten in het Rijksdriehoekstelsel met gebruikmaking van de in §3.1 onder k beschikbare QNH als functie van de onder c berekende tijdstippen.
- e. De reconstructie van de vliegbaan geschiedt tot een hoogte van 15000 ft of een afstand langs het grondpad van 70 km gerekend vanaf:
- f. het begin van de in §3.1 onder k opgenomen startbaan voor starts, bepaald volgens annex 8D4
- g. het einde van de in §3.1 onder k opgenomen landingsbaan voor landingen, bepaald volgens annex 8D4
- h. Voor de vliegbaanreconstructie wordt gebruik gemaakt van annex 8D2.
- i. Indien de in §3.1 onder k genoemde vliegtuigposities, vlieghoogten en/of tijdstippen ontbreken of de vliegbaan niet kan worden gereconstrueerd overeenkomstig de eis gesteld onder f, wordt de vliegbaan niet gereconstrueerd.
- a. Indien volgens de gegevens uit §3.1 onder k sprake is van een vertrek en dit geen helikopter betreft, wordt de vliegbaan verlengd tot aan het begin van de in §3.1 onder k opgenomen gebruikte startbaan, bepaald volgens annex 8D4, mits het chronologische eerste punt van de in § 3.2.1 gereconstrueerde vliegbaan gelegen is binnen een straal van 15 km ten opzichte van de baandrempel;
- b. Indien volgens de gegevens uit §3.1 onder k sprake is van een nadering en dit geen helikopter betreft, wordt de vliegbaan verlengd tot aan het einde van de in §3.1 onder k opgenomen gebruikte landingsbaan, bepaald volgens annex 8D4, mits het chronologische laatste punt van de in § 3.2.1 gereconstrueerde vliegbaan gelegen is binnen een straal van 15 km ten opzichte van de baandrempel;
- c. Indien volgens de gegevens uit §3.1 onder k sprake is van een vertrek of nadering van een helikopter, wordt de vliegbaan verlengd tot aan de in §2.5.2 onder a geregistreerde coördinaten van het heli-platform, ongeacht de voor de betreffende vlucht in §3.1 onder k opgenomen gebruikte start- of landingsbaan, mits het chronologische eerste punt voor een vertrek en het chronologische laatste punt voor een nadering, van de in § 3.2.1 gereconstrueerde vliegbaan gelegen is binnen een straal van 15 km ten opzichte van het heli-platform;
- d. Voor de vliegbaanverlenging zal gebruik worden gemaakt van een recht lijnsegment, waar nodig aangevuld met één of twee bochtsegmenten waarbij voor de bochtstraal rekening wordt gehouden met de snelheid van het betreffende vliegtuig;
- e. Indien in §3.1 onder k de gebruikte start- of landingsbaan ontbreekt wordt geen vliegbaanverlenging toegepast;
- f. Indien de vliegbaan niet tot op de gebruikte start- of landingsbaan verlengd kan worden, wordt de vliegbaanverlenging niet toegepast.
- a. Indien een vliegtuigbeweging volgens de gegevens in §3.1 onder e:
- – een vertrek van een straalvliegtuig betreft waarvan de bestemming niet de luchthaven EHLE of EHRD is of
- – een nadering van een straalvliegtuig betreft dat niet afkomstig is van de luchthaven EHLE of EHRD en waar voor het desbetreffende tijdvak, voor de desbetreffende baan luchtverkeerwegen zijn aangewezen in bijlage 1 van het besluit, wordt bepaald of het vliegtuig binnen één van de luchtverkeerwegen is gebleven;
- b. Van elke onder a genoemde vliegtuigbeweging wordt bepaald welke luchtverkeerwegen voor het desbetreffende tijdvak, voor een vertrek of nadering van de desbetreffende baan zijn aangewezen in bijlage 1 van het besluit. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de in §3.1 onder e beschikbare vluchtsoort, de gebruikte start- of landingsbaan en de lokale tijd.
- c. Van elke onder a genoemde vliegtuigbeweging wordt het tijdstip van positiewaarneming zoals beschikbaar in §3.1 onder e omgezet in lokale tijd (datum, uren, minuten, seconden en tienden van seconden);
- d. Van elke onder a genoemde vliegtuigbeweging wordt voor elk van de in §3.1 onder e beschikbare positiewaarnemingen gecontroleerd of het straalvliegtuig binnen één van de onder b bepaalde luchtverkeerwegen is gebleven;
- e. Indien bij de controle op de verticale begrenzing van de luchtverkeerweg sprake is van een hoogte in voeten, worden de verticale componenten van de positiewaarnemingen omgerekend naar voeten op basis van de in §3.1 onder e beschikbare QNH;
- f. Indien alle positiewaarnemingen die niet binnen één van de luchtverkeerwegen zijn gebleven zich binnen het in figuur 1 gedefinieerde baantolerantiegebied bevinden, wordt de vliegtuigbeweging niet aangemerkt als een afwijking;
- g. Indien uit a tot en met f blijkt dat een vliegtuigbeweging niet geheel binnen de horizontale begrenzing van één van de onder b bepaalde luchtverkeerwegen is uitgevoerd, moet voor een vertrek de hoogte waar de vliegtuigbeweging – voor het eerst – buiten de luchtverkeerweg is gekomen worden gedetecteerd, onderscheiden naar:
- – hoger of lager dan 3000 voet AMSL indien de vliegtuigbeweging volgens §3.1 onder a in de periode van 06:00:00 uur tot en met 22:59:59 uur lokale tijd heeft plaatsgevonden;
- – hoger of lager dan vliegniveau 90 indien de vliegtuigbeweging volgens §3.1 onder a in de periode van 23:00:00 uur tot en met 05:59:59 uur lokale tijd heeft plaatsgevonden;
- h. Indien uit a tot en met f blijkt dat een vliegtuigbeweging niet geheel binnen de verticale begrenzing van één van de luchtverkeerwegen is uitgevoerd, moet:
- – voor een vertrek worden vastgesteld of de horizontale positie waar de vliegtuigbeweging – voor het eerst – buiten één van de luchtverkeerwegen is gekomen ligt in het gebied van de grens Schiphol CTR tot de grens Schiphol TMA;
- – voor een nadering worden vastgesteld of de horizontale positie waar de vliegbaan – voor het eerst – buiten één van de luchtverkeerwegen is gekomen ligt in het gebied van de grens Schiphol TMA tot de eindnadering;
- i. Voor a tot en met h wordt gebruik gemaakt van annex 8B. De hiervoor benodigde ligging van de luchtverkeerwegen alsmede de ligging van de CTR en de Schiphol TMA zijn in de desbetreffende regelgeving ter beschikking gesteld door de Minister van Verkeer en Waterstaat.
- a. Indien een vliegtuigbeweging volgens de gegevens in §3.1 onder e een vertrek van een straalvliegtuig betreft waarvan de bestemming niet de luchthaven EHLEof EHRD is, wordt bepaald of het vliegtuig na het verlaten van de Schiphol TMA op of boven vliegniveau 60 is gebleven;
- b. Van elke onder a genoemde vliegtuigbeweging wordt voor elk van de in §3.1 onder e geregistreerde positiewaarnemingen gecontroleerd of het straalvliegtuig in de Schiphol TMA tot 3 kilometer daarbuiten op of boven vliegniveau 60 is gebleven;
- c. Voor a en b wordt gebruik gemaakt van annex 8B. De hiervoor benodigde ligging van de Schiphol TMA is in de desbetreffende regelgeving ter beschikking gesteld door de Minister van Verkeer en Waterstaat.
- a. Indien een vliegtuigbeweging volgens de gegevens in §3.1 onder e en in §3.1 onder a een nadering van een straalvliegtuig betreft waar voor het desbetreffende tijdvak, voor de desbetreffende baan geen luchtverkeerwegen zijn aangewezen in bijlage 1 van het besluit, wordt bepaald of het vliegtuig boven de minimum vlieghoogte is gebleven;
- b. Van elke onder a genoemde vliegtuigbeweging wordt bepaald welke minimum vlieghoogte voor de desbetreffende periode van toepassing is volgens artikel 3.1.2 lid 3 van het besluit. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van het in §3.1 onder a bepaalde tijdstip;
- c. Indien uit b blijkt dat er sprake is van een hoogtecriterium in voeten, worden de in §3.1 onder e beschikbare verticale componenten van de positiewaarnemingen omgerekend naar voeten op basis van de in §3.1 onder e beschikbare QNH;
- d. Van elke onder a genoemde vliegtuigbeweging wordt voor elk van de in §3.1 onder e beschikbare positiewaarnemingen gecontroleerd of het straalvliegtuig in de Schiphol TMA tot 3 kilometer daarbuiten op of boven de onder b bepaalde minimum vlieghoogte is gebleven;
- e. Indien uit a tot en met d blijkt dat een vliegtuigbeweging niet geheel op of boven de minimum vlieghoogte is uitgevoerd, moet worden vastgesteld of de horizontale positie waar de vliegtuigbeweging voor het eerst onder de minimum vlieghoogte is gekomen ligt in het gebied tot de grens van de Schiphol TMA of in het gebied van de grens Schiphol TMA tot de eindnadering;
- f. Voor de bewerkingen hierboven genoemd onder a tot en met e, wordt gebruik gemaakt van annex 8B. De hiervoor benodigde ligging van de Schiphol TMA is in de desbetreffende regelgeving ter beschikking gesteld door de Minister van Verkeer en Waterstaat.
- a. Van elke vlucht, die blijkens §3.1 onder k is uitgevoerd met een straalvliegtuig of een propellervliegtuig, wordt met annex 8C2 de vliegtuigcategorie bepaald op basis van de ICAO-code van het vliegtuigtype;
- b. Indien de onder a genoemde ICAO code van het vliegtuigtype niet voorkomt in de indelingslijst bedoeld in annex 8C2, dan wordt de vliegtuigcategorie als volgt bepaald:
- 1. vliegtuigcategorie 4, overeenkomend met vliegtuigen met een gewicht minder dan 5700 kg, wordt toegekend indien de vlucht blijkens §3.1 onder k is uitgevoerd met een vliegtuig met een MTOW minder dan 5700 kg;
- 2. vliegtuigcategorie 3 wordt toegekend in de overige gevallen;
- 3. de exploitant van de luchthaven neemt de betreffende ICAO code van het vliegtuigtype binnen een periode van 6 maanden op in de indelingslijst op de wijze zoals beschreven in annex 8C2.
- a. Van elke vlucht wordt met annex 8D3 de vliegtuigcategorie bepaald op basis van het in §3.1 onder k beschikbare ICAO-code van het vliegtuigtype en, waar van toepassing, het vluchtnummer met daarin de code voor de luchtvaartmaatschappij;
- b. Indien de onder a genoemde ICAO code van het vliegtuigtype niet voorkomt in de indelingslijst bedoeld in annex 8D3, dan wordt de vliegtuigcategorie als volgt bepaald:
- 1. indien volgens §3.1 onder k is uitgevoerd door een helikopter, dan geldt dat:
- a. vliegtuigcategorie 010 wordt toegekend indien de vlucht volgens §3.1 onder k is uitgevoerd met een helikopter met een MTOW kleiner dan 3000 kg;
- b. vliegtuigcategorie 012 wordt toegekend indien de vlucht volgens §3.1 onder k is uitgevoerd met een helikopter met een MTOW groter of gelijk aan 3000 kg en kleiner dan 7000 kg;
- c. vliegtuigcategorie 014 wordt toegekend indien de vlucht volgens §3.1 onder k is uitgevoerd met een helikopter met een MTOW groter of gelijk aan 7000 kg.
- 2. indien de vlucht volgens §3.1 onder k is uitgevoerd met een straalvliegtuig of een propellervliegtuig en indien de vlucht volgens §3.1 onder k is uitgevoerd met een vliegtuig met een MTOW kleiner dan 6000 kg dan geldt dat vliegtuigcategorie 004 wordt toegekend;
- c. Er wordt geen vliegtuigcategorie toegekend indien:
- – de vlucht volgens §3.1 onder k wordt uitgevoerd met een straalvliegtuig of een propellervliegtuig en
- – de vlucht volgens §3.1 onder k is uitgevoerd met een vliegtuig met een MTOW groter of gelijk aan 6000 kg en/of
- – voor een vlucht de gegevens onder b ontbreken om de vliegtuigcategorie te kunnen bepalen;
- d. Indien het in a genoemde vluchtnummer ontbreekt wordt de vliegtuigcategorie bepaald op basis van het vliegtuigtype. Een eventuele nadere indeling op basis van de luchtvaartmaatschappij blijft in dit geval achterwege;
- e. Voor elke vlucht wordt voor de onder a, b of d bepaalde vliegtuigcategorie de bijbehorende akoestische representant bepaald overeenkomstig paragraaf 2.2.1 van de appendices.
- • vluchtsoortnummer 06 (NADP2 1.500 ft procedure),
- • vluchtsoortnummer 05 (NADP1 procedure),
- • vluchtsoortnummer 00 (geen NADP1 of NADP2 procedure beschikbaar).
- a. Bij de in §3.1 onder k beschikbare luchthaven van eerste bestemming wordt met een indelingslijst voor de toewijzing van klassenummer aan een vlucht op basis van bestemming het bijbehorende klassenummer bepaald;
- b. Indien de in §3.1 onder k beschikbare ICAO-code ontbreekt in de indelingslijst, wordt wordt aan de vlucht de hoogst beschikbare klasse van de betreffende vliegtuigcategorie toegekend. De exploitant van de luchthaven neemt binnen een periode van 4 weken de betreffende luchthaven op in de indelingslijst waarbij het klassenummer als volgt dient te worden bepaald:
- 1. de ortodromische afstand D in kilometers tussen de luchthaven van eerste bestemming en Schiphol wordt bepaald op basis van de coördinaten van het aerodrome reference point van de luchthaven van eerste bestemming en Schiphol. Het aerodrome reference point wordt ontleend aan de voor de luchthaven geldige AIP.
- 2. op basis van deze afstand wordt met tabel 3 het bijbehorende klassenummer bepaald
- c. Indien:
- – de in §3.1 onder k beschikbare ICAO-code ontbreekt of
- – het aerodrome reference point van de luchthaven van de eerste bestemming niet kan worden vastgesteld wordt aan de vlucht de hoogst beschikbare klasse van de betreffende vliegtuigcategorie toegekend.
- a. klassenummer 00, zijnde een naderingshoogte van 2000 voet, wordt toegekend indien de hoogte van het snijpunt van het onder §3.2.1 b gereconstrueerde hoogteprofiel van de vlucht met de referentielijn kleiner of gelijk is aan 2500 voet;
- b. klassenummer 01, zijnde een naderingshoogte van 3000 voet, wordt toegekend indien:
- 1. de hoogte van het snijpunt van het onder §3.2.1 b gereconstrueerde hoogteprofiel van de vlucht met de referentielijn groter is dan 2500 en kleiner of gelijk is aan 3500 voet of
- 2. er geen prestatiegegevens beschikbaar zijn voor de CDA nadering genoemd onder c en
- i. de hoogte van het snijpunt van het onder §3.2.1 b gereconstrueerde hoogteprofiel van de vlucht met de referentielijn groter is dan 3500 voet of
- ii. er geen snijpunt wordt gevonden;
- c. klassenummer 09, zijnde een CDA, wordt toegekend indien de hoogte van het snijpunt van het onder §3.2.1 b gereconstrueerde hoogteprofiel van de vlucht met de referentielijn groter is dan 3500 voet of er geen snijpunt wordt gevonden;
- d. klassenummer 01, zijnde een naderingshoogte van 3000 voet, wordt toegekend indien op basis van a t/m c het klassenummer niet bepaald kan worden.
- a. Voor vliegtuigcategorieën 012 en 014 wordt vliegprocedure 1000 toegekend;
- b. Voor de overige vliegtuigcategorieën wordt:
- 1. indien beschikbaar, vliegprocedure 1009, 1201 of 1900 toegekend in geval de oorspronkelijke vliegprocedure 1209 is;
- 2. indien beschikbaar, vliegprocedure 1900 toegekend in geval de oorspronkelijke vliegprocedure 1009 is;
- 3. vliegprocedure 1001 toegekend in alle overige gevallen.
- a. Een vlucht wordt meegeteld in het totaal aantal vliegtuigbewegingen met handelsverkeer als:
- – de vlucht is geregistreerd als handelsverkeer overeenkomstig § 3.1, onderdeel k, in samenhang met § 2.4, onderdeel f, met tenminste de volgende gegevens:
- ○ de schemadatum;
- ○ de baantijd (datum, uren, minuten, seconden) van de vlucht in lokale tijd;
- ○ de schematijd in lokale tijd;
- ○ de vluchtsoort en
- ○ het vluchtnummer;
- – het soort vlucht, geregistreerd onder § 2.4, onderdeel f, valt in een van de volgende categorieën:
- ○ passagierslijnvluchten;
- ○ passagierschartervluchten;
- ○ vrachtlijnvluchten;
- ○ vrachtchartervluchten, of
- ○ positioneringsvluchten.
- b. Een vlucht wordt meegeteld in het totaal aantal vliegtuigbewegingen met handelsverkeer tussen 23:00:00 en 07:00:00 uur als:
- – de vlucht is geregistreerd als handelsverkeer overeenkomstig § 3.1, onderdeel k, in samenhang met § 2.4, onderdeel f, met tenminste de volgende gegevens:
- o de baantijd (datum, uren, minuten, seconden) van de vlucht in lokale tijd;
- o de schemadatum;
- o de schematijd in lokale tijd;