Art. 8.5.2.2 Mijnbouwregeling, Regels over het buiten gebruik stellen van putten
De uitvoerder of uitvoerder aardwarmte kiest een afsluiting van een sluitlaag zodanig dat de afsluiting zich op gelijke hoogte bevindt met een sluitlaag, die:
a. ondoorlatend alsmede voldoende dik en sterk is om de verwachte maximale druk van gassen en vloeistoffen op die diepte te weerstaan;
b. geen breukvorming vertoont en
c. zich boven een zone met stromingspotentieel bevindt.