Art. 6.2.3 Mijnbouwregeling, Communicatiemiddelen

Mijnbouwregeling

1. Een bemande niet-afhankelijke mijnbouwinstallatie in zeegebied A1 met een directe verbinding met het openbaar telefoonnet is uitgerust met:

a. een maritieme VHF-radiotelefonie-inrichting met DSC;

b. twee VHF-radiotelefonie-inrichtingen voor de aëronautische dienst;

c. een VHF-DSC-wachtontvanger.

2. Een bemande niet-afhankelijke mijnbouwinstallatie in zeegebied Al zonder directe verbinding met het openbaar telefoonnet is uitgerust met:

a. twee maritieme VHF-radiotelefonie-inrichtingen met DSC;

b. twee VHF-radiotelefonie-inrichtingen voor de aëronautische dienst;

c. een VHF-DSC-wachtontvanger.

3. Een bemande niet-afhankelijke mijnbouwinstallatie in zeegebied A2 met een directe verbinding met het openbaar telefoonnet is uitgerust met:

a. een maritieme VHF-radiotelefonie-inrichting met DSC;

b. twee VHF-radiotelefonie-inrichtingen voor de aëronautische dienst;

c. een MF-radiotelefonie-inrichting of een satelliet telefoon die geheel onafhankelijk is van de hierboven genoemde directe verbinding met het openbaar telefoonnet;

d. een VHF-DSC-wachtontvanger;

e. een MF-DSC-wachtontvanger.

4. Een bemande niet-afhankelijke mijnbouwinstallatie in zeegebied A2 zonder directe verbinding met het openbaar telefoonnet is uitgerust met:

a. een maritieme VHF-radiotelefonie-inrichting met DSC;

b. twee MF-radiotelefonie-inrichtingen;

c. een VHF-DSC-wachtontvanger;

d. een MF-DSC-wachtontvanger;

e. twee VHF-radiotelefonie-inrichtingen voor de aëronautische dienst;

f. een HF-radiotelefonie-inrichting voor de aëronautische dienst.

5. Van de in het eerste tot en met vierde lid VHF-radiotelefonie-inrichtingen voor de aëronautische dienst kan er één van een draagbaar type zijn.