Bijlage 1 Vaststelling subsidieplafond en beleidsvoornemens subsidiëring op grond van Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken: beleidsvoornemen inzake het Programma voor institutionele versterking van post-secondaire onderwijs- en trainingscapaciteit (NPT)
De Nederlandse regering acht het belangrijk dat er een programma bestaat voor samenwerkingsprojecten ten behoeve van de duurzame versterking van post-secundaire opleidingscapaciteit in ontwikkelingslanden, waardoor deze landen beter in staat zullen zijn zelf (op de wat langere termijn) in de benodigde opleidingen en menskracht te voorzien. Het NPT voorziet hierin. Het programma is gericht op capaciteit die van belang is voor de bilaterale samenwerkingssectoren, en op sectordoorsnijdende dan wel -overstijgende terreinen. Daarnaast is steun aan de post-secundair onderwijs sector in meer algemene zin mogelijk. Het programma zal zich in aansluiting op het Nederlandse bilaterale beleid beperken tot een groep van 48 landen waarmee Nederland meerjarig samenwerkt. Het betreft de 19 structurele samenwerkingslanden, Indonesië, Zuid-Afrika en de themalanden met uitzondering van de landen die alleen voorkomen op de `bedrijfsleven'-lijst (zie ook de bijlage). Vraaggerichtheid en ownership staan centraal. De ontwikkelingslanden zullen zelf aangeven waar hun prioritaire behoeften voor ondersteuning van post-secundaire onderwijs- en trainingscapaciteit liggen. Lokale `stakeholder' overlegstructuren zullen een cruciale rol spelen bij de vraagidentificatie en nationale prioriteitstelling. Zij zullen aangeven op welke sectoren en/of sectordoorsnijdende dan wel overstijgende terreinen het programma zich in het land zal richten. Dit wordt neergelegd in een globaal plan van aanpak voor NPT-interventies, waarin o.a. wordt aangegeven welke organisaties vanuit het programma ondersteund zullen worden. Dat hoeft niet beperkt te blijven tot opleidingsinstituten. Ook andere typen organisaties die een belangrijke rol spelen bij de ontwikkeling van post-secundair onderwijs en training (ministeries, nationale commissies, NGO's) komen in aanmerking. De te ondersteunen organisaties zullen in de projecten samenwerken met Nederlandse organisaties, die de technische expertise leveren. Daartoe zal uit a
- 1. Bangladesh*
- 2. Benin
- 3. Bolivia*
- 4. Burkina Faso*
- 5. Eritrea (sectorkeuze nog niet bepaald)
- 6. Ethiopië*
- 7. Ghana
- 8. India*
- 9. Jemen*
- 10. Macedonië*
- 11. Mali*
- 12. Mozambique*
- 13. Nicaragua
- 14. Rwanda
- 15. Sri Lanka
- 16. Tanzania*
- 17. Oeganda*
- 18. Vietnam
- 19. Zambia*
- 1. Albanië GMV
- 2. Armenië GMV
- 3. Bhutan DOV
- 4. Bosnië GMV
- 5. Brazilië Milieu
- 6. Cambodja GMV
- 7. China Milieu
- 8. Colombia GMV, Milieu
- 9. Costa Rica DOV
- 10. Ecuador Milieu
- 11. El Salvador GMV
- 12. Filippijnen GMV, Milieuy
- 13. Georgië GMV
- 14. Guatemala GMV, Milieu
- 15. Guinee Bissau GMV, Milieu
- 16. Honduras GMV
- 17. Indonesië
- 18. Kaapverdië Milieu
- 19. Kenia GMV
- 20. Moldavië GMV
- 21. Mongolië
- 22. Namibië GMV
- 23. Nepal GMV, Milieu
- 24. Pakistan GMV, Milieu
- 25. Palestijnse Gebieden GMV
- 26. Peru Milieu
- 27. Senegal Milieu
- 28. Zimbabwe GMV
- 29. Zuid-Afrika