Bijlage 2 Eindtermen centraal examen filosofie havo/vwo 2004 en 2005: eindtermen Deugdethiek
Eindtermen centraal examen filosofie havo/vwo 2004 en 2005
I. Van Ethiek naar Deugdethiek 1. De kandidaat kan de filosofische inbedding van de ethiek schetsen en haar samenhang met andere disciplines duidelijk maken (waaronder metafysica, antropologie, sociale filosofie, godsdienstfilosofie en epistemologie). 2. De kandidaat kan tenminste drie verschillende vormen van ethiek onderscheiden, de desbetreffende benadering uitleggen en toepassen in een casus. 3. De kandidaat kan de deugdethische benadering uitleggen, het onderscheid tussen poièsis, praxis en morele praxis duidelijk maken en toelichten aan de hand van een voorbeeld. II. Waarom Deugdethiek 1. De kandidaat kan het verschil tussen normen en waarden uiteenzetten, duidelijk maken wat voor verband tussen beide bestaat en in welke zin deugdethiek een verbindend midden vormt tussen beide. Hij kan dit verschil en verband in een casus herkennen en aan de hand van een voorbeeld toelichten. 2. De kandidaat kan uitleggen wat onder pluralisme en relativisme wordt verstaan, hoe deze opvattingen verband houden met keuzevrijheid en op wat voor manier de deugdethiek bepaalde gevaren van pluralisme en keuzevrijheid kan afwenden. 3. De kandidaat kan duidelijk maken wat voor plaats morele motivatie inneemt binnen de deugdethiek en in welke zin zij kan worden begrepen als een ethiek die in het verlengde ligt van ons natuurlijk verlangen. In een casus kan hij het verschil met de Kantiaanse en utilistische ethiek op dit punt herkennen en zelf aan de hand van een voorbeeld toelichten. III. Grondlijnen van een Deugdethiek 1. De kandidaat kan uitleggen wat een teleologisch begrip van het menselijk leven inhoudt en op wat voor manier de begrippen doel, wezen, geschiktheid, deugd en geluk met elkaar samenhangen. 2. De kandidaat kan aangeven in welke zin Aristoteles met zijn deugdethiek een positie inneemt tussen Plato en Nietzsche. 3. De kandidaat kan duidelijk maken in welke zin zelfverwerkelijking als levenskunst begrepen kan worden. 4. De kandidaat kan kritiek leveren op het essentialisme