Bijlage 6 Durfkapitaalfondsen: standaardvoorwaarden
Standaardvoorwaarden voor aangewezen participatiemaatschappijen als bedoeld in artikel 5.18 van de Wet inkomstenbelasting 2001, juncto artikel 33, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. In deze standaardvoorwaarden wordt verstaan onder: 1. Het Durfkapitaalfonds dient haar vermogen hoofdzakelijk (voor ten minste 70%) aan te wenden in de vorm van het verstrekken van achtergestelde geldleningen aan dan wel het deelnemen in beginnende ondernemingen. 2. Ingeval er sprake is van een bestaande participatiemaatschappij, worden op de eindbalans die voorafgaat aan de ingangsdatum als Durfkapitaalfonds de bezittingen en schulden te boek gesteld voor de waarde welke daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend, en worden de reserves als bedoeld in de artikel 3.53, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet IB 2001 opgenomen in de winst. 3. Verliezen geleden na de ingangsdatum als Durfkapitaalfonds kunnen niet op grond van artikel 20, tweede lid, van de Wet VPB 1969 worden verrekend met boekjaren welke liggen vóór die datum. 4. Binnen vier maanden na afloop van ieder boekjaar overlegt het Durfkapitaalfonds zowel aan de inspecteur als aan de inspecteur die bevoegd is voor de heffing en invordering van rijksbelastingen van het Durfkapitaalfonds de definitieve fiscale en commerciële jaarstukken. Hierin is begrepen een overzicht van de verstrekte kredieten ten behoeve van dan wel de deelnemingen in beginnende ondernemingen, opgenomen naar de waarde welke daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend. De betreffende jaarstukken zijn voorzien van een accountantsverklaring. Voor zover van toepassing informeert het Durfkapitaalfonds in een bijlage in hoeverre van de regeling van het afwaarderingsverlies op deelnemingen van artikel 13ca van de Wet VPB 1969 gebruik is gemaakt. Het Durfkapitaalfonds dient tevens binnen twee maanden na afloop van elk van de eerste drie kwartalen van het boekjaar bij de inspecteur een kwartaalbalans in. Hierbij overlegt het D
- – de Wet IB 2001: de Wet inkomstenbelasting 2001;
- – de URIB 2001: de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001;
- – de Wet VPB 1969: Wet op de vennootschapsbelasting 1969;
- – het Durfkapitaalfonds: een participatiemaatschappij die door de inspecteur op grond van artikel 5.18, tweede lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001, juncto artikel 33 van de URIB 2001, als zodanig is aangewezen;
- – een beginnende onderneming: een ondernemer/natuurlijke persoon als bedoeld in artikel 5.17, derde lid, onderdeel a, en artikel 5.18, tweede lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001, juncto artikel 30 URIB 2001, of een ondernemer/rechtspersoon als bedoeld in artikel 5.17, derde lid, onderdeel b, van de Wet juncto artikel 31 URIB 2001;
- – de Regeling aanwijzen van Durfkapitaalfondsen: de bepalingen in artikelen 33 van de URIB 2001;
- – de inspecteur: het Hoofd van de eenheid Belastingdienst/Grote ondernemingen Amsterdam, hiertoe op grond van artikel 36 van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst gemachtigd voor de uitvoering van de Regeling aanwijzing Durfkapitaalfondsen.