Bijlage 4 Regeling aanstellingseisen politie 2002: behorende bij de artikelen 7, derde lid, en 14, derde lid, van de Regeling aanstellingseisen politie 2002
Regeling aanstellingseisen politie 2002
De kandidaat die solliciteert naar een executieve functie bij de Nederlandse politie, wordt onderworpen aan een geschiktheidsonderzoek. Van dit geschiktheidsonderzoek maakt deel uit het psychologisch onderzoek. Het psychologisch onderzoek omvat een 3-tal onderdelen: De psycholoog maakt een afweging van de scores op de drie meetinstrumenten en vormt zich een eindoordeel wat wordt vastgelegd in een psychologisch rapport. De competenties worden beoordeeld op een 7-puntsschaal. Voor alle te volgen politieopleidingen dan wel werk- en denkniveaus 2 (EQF 2) tot en met 6 (EQF 7), zullen kandidaten met een score 3 (of lager) op de competentie integriteit een negatief advies ontvangen. Voor de niveaus 2 (EQF 2) tot en met 4 (EQF 4) zullen kandidaten met een score 2 (of lager) op de competenties stressbestendigheid en overwicht een negatief advies ontvangen; voor de niveaus 5 (EQF 6) en 6 (EQF 7) geldt dat een score van 2 (of lager) op de competentie overwicht en een score van 3 (of lager) op de competentie stressbestendigheid een negatief advies oplevert. Voor kandidaat ambtenaren in opleiding (niveaus 5 en 6) geldt dat een score van 2 (of lager) op de competentie stressbestendigheid een negatief advies oplevert. Op de overige stabiele competenties moet een minimale somscore worden behaald, waarbij op geen enkele stabiele competentie een bindend negatief advies mag zijn gescoord. De ondergrens voor een bindend negatief advies is laag op deze stabiele competenties: voor de niveaus 2, 3 en 4 zullen alleen kandidaten met een score 1 op één van de competenties contactgerichtheid, inlevingsvermogen, initiatief, flexibiliteit, besluitvaardigheid en tolerantie een negatief advies ontvangen. Voor de niveaus 5 (EQF 6) en 6 (EQF 7) ligt de ondergrens bij bovengenoemde competenties bij een score 2 (of lager). Competentie Basisnorm Niveau 2 Basisnorm Niveau 3 en 4 Basisnorm Niveau 5 en 6 Integriteit 4 4 4 Stressbestendigheid 3 3 4 Overwicht 3 3 3 Besluitvaardigheid Geen bindend negatief
- 1. Persoonlijkheidsvragenlijst;
- 2. Interview;
- 3. Praktijkproef (rollenspel).
- 1. Er wordt geen specifiek onderscheid gemaakt tussen de niveaus 3 & 4. Ook niet tussen de niveaus 5 & 6. Dit omdat de scores in het psychologisch rapport van kandidaten in de afgelopen jaren daar onvoldoende aanleiding voor geven.
- 2. De competentie integriteit heeft in het beoordelingskader een aparte status met een ondergrens van
- 3. Stressbestendigheid en overwicht zijn eveneens competenties die in het beoordelingskader een aparte status hebben gekregen. De reden hiervoor is dat het competenties zijn die voor de functieoefening als kerncompetenties kunnen worden beschouwd. Dit is ook de bekende praktijk in veel politiekorpsen. Bij dergelijke competenties moet een hogere ondergrens zijn gegarandeerd. Het definiëren van een ondergrens voor stressbestendigheid past ook bij de huidige aandacht voor de weerbaarheid van uitvoerende politiefunctionarissen. Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen uitvoerende politiefunctionarissen met een generieke inzet en uitvoerende politiefunctionarissen met een specifieke inzet. Voor de laatste groep is een lagere minimumnorm opgenomen.
- 5. Voor de overige competenties is een somscore opgenomen. Dit betekent dat de som op deze competenties minimaal het genoemde aantal punten moet bedragen.
- 1. Scores op de persoonlijkheidsvragenlijst Deze vragenlijst vult kandidaat in op de computer. De vragenlijst bevat stellingen gerelateerd aan de stabiele persoonlijkheidskenmerken.
- 2. Interviewgegevens Het interview wordt door de psycholoog afgenomen op basis van thema’s die gerelateerd zijn aan de relevante competenties. Het betreft een criterium-gericht interview van maximaal 1 uur.
- 3. Praktijkproefgegevens (rollenspel) De praktijkproef bestaat uit een rollenspel van 15 minuten. Er is een rollenspeler en een observator. De observator scoort hetgeen wordt waargenomen op een gestandaardiseerde lijst. Na afloop hebben de rollenspeler en observator afstemmingsoverleg over hetgeen de kandidaat heeft laten zien. De bevindingen van beiden worden vastgelegd in een verslag. In het rapport geeft de psycholoog de kandidaat uiteindelijk een beoordeling op een 7-puntsschaal. Een 7-puntsschaal biedt de mogelijkheid om het onderscheid te maken tussen de kwalificatieniveaus 2, 3, 4, 5 en 6. De expertise van de psycholoog is gelegen in de afweging van de scores op de drie meetinstrumenten en de integratie in een eindoordeel.
- 1. Communicatieve vaardigheden Het over kunnen dragen van informatie, ideeën en opvattingen, zowel verbaal als non-verbaal. Hieronder vallen onder meer articulatie, grammatica, woordkeuze en woordenschat, afstemming op ontvanger, toetsing bij ontvanger.
- 2. Contactgerichtheid De behoefte aan sociale contacten en deze aan kunnen gaan en onderhouden. Hieronder vallen onder meer soort contact met anderen, interesse, respect, verbale en non-verbale signalen, reactievermogen.
- 3. Inlevingsvermogen Zich kunnen en willen verplaatsen in de gedachten, gevoelens en reacties van anderen. Hieronder vallen onder meer inlevend vermogen, respect, belangstelling, reflectief vermogen, begrip.
- 4. Initiatief Uit eigen beweging, zonder aansporing van buitenaf, actie ondernemen of actie in gang zetten, in plaats van af te wachten. Hieronder vallen onder meer handelen, contacten leggen, anticiperen, aanspreekbaar zijn, zelfstandig functioneren.
- 5. Flexibiliteit Het vermogen om vlot en soepel van taak te wisselen en zich aan te passen aan wisselende omstandigheden alsmede de behoefte aan verandering en afwisseling. Hieronder vallen onder meer kunnen schakelen, aanpassingsvermogen, probleemoplossend vermogen, zelfstandig werkzaamheden vormgeven.
- 6. Besluitvaardigheid Knopen door kunnen hakken en beslissingen durven en kunnen nemen, ook bij dilemma’s en bij onvolledige informatie, waarbij verantwoordelijkheid wordt genomen voor de hieruit voortvloeiende consequenties. Hieronder vallen onder meer zelfvertrouwen, keuzes maken, verantwoordelijkheid, confrontatie aangaan, meningsuiting.
- 7. Overwicht Het verbaal en/of non-verbaal kunnen beïnvloeden van anderen en als autoriteit geaccepteerd worden. Hieronder vallen onder meer overtuigingskracht, argumentatie, onderhandelen.
- 8. Zelfinzicht Kennis van het eigen gedrag en eigenschappen en het vermogen daarop te reflecteren alsmede de bereidheid deze reflecties te integreren in het toekomstig handelen. Hieronder vallen onder meer eigen positieve/negatieve eigenschappen, feedback, ontwikkeling eigen gedrag.
- 9. Stressbestendigheid Om kunnen gaan met spanningen, waarbij het zowel gaat om emotioneel ingrijpende gebeurtenissen, als om spanningen voortkomend uit de dagelijkse werksituatie. Hieronder vallen onder meer zelfcontrole, overzicht, onzekerheid, zelfvertrouwen.
- 10. Tolerantie Vermogen verschillen tussen mensen te accepteren, te respecteren, op waarde te schatten en te integreren in het eigen handelen. Uit relevante stukken blijkt, dat tolerantie niet, zoals andere eigenschappen, voor hogere niveaus in meerdere mate aanwezig moet worden geacht.
- 11. Integriteit Het bewust zijn van algemeen aanvaarde normen en waarden van de samenleving en blijk geven van de bereidheid hiervan niet af te wijken om eigen voordeel te behalen. Het onderzoek van Paul van der Maesen de Sombreff en Richard Martinus, ‘Integriteit in de politiefunctie’ (1999, LSOP), heeft de volgende clusters van functionele gedragingen opgeleverd:
- 1. (Anti-)sociaal gedrag: (in)correct gedrag t.a.v. collega’s/burgers, wel/niet discrimineren, (geen) gebruik van geweld;
- 2. Wel/geen misbruik: van positie, bevoegdheden, eigendommen, informatie, nevenactiviteiten;
- 3. Wel/geen alcohol- en drugsgebruik.
- 1. een voorbeeldfunctie ter zake worden verwacht;
- 2. verwacht worden dat zij anderen zullen aanspreken op ontoelaatbaar gedrag.