Bijlage 6 Groen beleggen
Standaardvoorwaarden voor een aangewezen fonds als bedoeld in artikel 5.14 van de Wet inkomstenbelasting 2001. In deze standaardvoorwaarden wordt verstaan onder: 1. Het fonds dient haar vermogen hoofdzakelijk (ten minste 70%) aan te wenden in de vorm van kredietverstrekking ten behoeve van dan wel het direct of indirect beleggen in groenprojecten. 2. Verliezen geleden na de aanwijzing als groenfonds kunnen niet op grond van artikel 20, tweede lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 worden verrekend met de drie voorafgaande jaren, voor zover deze jaren liggen vóór het jaar waarin de aanwijzing van kracht is, alsmede met het jaar waarin de aanwijzing van kracht is geworden ingeval de winst van dat jaar mede pré-groene resultaten omvat. 3. Binnen vier maanden na afloop van ieder boekjaar overlegt het groenfonds zowel aan de inspecteur als aan de inspecteur die bevoegd is voor de heffing en invordering van rijksbelastingen van de instelling de definitieve fiscale en commerciële jaarstukken. Hierin is begrepen een overzicht van de verstrekte kredieten ten behoeve van dan wel de beleggingen in de groenprojecten, opgenomen naar de waarde welke daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend. De betreffende jaarstukken zijn voorzien van een accountantsverklaring. Het groenfonds dient tevens binnen twee maanden na afloop van elk van de eerste drie kwartalen bij de inspecteur een kwartaalbalans in. Hierbij overlegt het groenfonds eveneens een apart overzicht van de verstrekte kredieten ten behoeve van en de beleggingen in groenprojecten zoals hiervóór omschreven. 4. Indien het groenfonds in andere groenprojecten belegt dan in het verzoek tot aanwijzing als groene instelling is vermeld, verstrekt de instelling een kopie van de door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer afgegeven beschikking ten aanzien van die projecten.
- – de Wet: de Wet inkomstenbelasting 2001;
- – de Regeling aanwijzen van groene fondsen: de bepalingen in artikel 28 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001;
- – de Regeling groenprojecten 2002: de ingevolge artikel 5.14, derde en zesde lid, van de Wet, vastgestelde ministeriële regeling van 21 december 2001, nr. DGM/SB/2001/137297, nr. Stcrt. 2001, 1, van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Staatssecretaris van Financiën;
- – een instelling: een kredietinstelling die is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 52 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 of een beleggingsinstelling die is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 18 van de Wet toezicht beleggingsinstellingen;
- – groene fondsen: instellingen die door de inspecteur ingevolge artikel 5.14, eerste lid, van de Wet, als zodanig is aangewezen;
- – een groenproject: een project waarvoor ingevolge de Regeling groenprojecten een groenverklaring is afgegeven;
- – de inspecteur: het Hoofd van de eenheid Belastingdienst/Grote ondernemingen Amsterdam, hierbij op grond van artikel 36 van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst.