Bijlage 3 Bgtb: behorende bij het Besluit glastuinbouw
In deze bijlage wordt verstaan onder: Voorschrift 1 1. Lozen op het openbaar riool is verboden, tenzij het betreft: 2. Indien de afvalwaterstromen, bedoeld in het eerste lid, in verband met de capaciteit van het openbaar riool of het zuiveringstechnische werk niet volledig op het openbaar riool kunnen worden geloosd, vindt zodanig lozen plaats: 3. Het inrichting-bevoegd gezag kan: Voorschrift 2 1. Lozen op een oppervlaktewaterlichaam is verboden, tenzij het betreft: 2. Een oppervlaktewaterlichaam wordt door het lozen, bedoeld in het eerste lid, niet onaanvaardbaar visueel verontreinigd. 3. Het Wtw-bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van het gehalte aan chloride, ijzer, zuurstof en organische stof in het koelwater onderscheidenlijk de brijn, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en f, voor zover het koelwater niet afkomstig is uit een oppervlaktewaterlichaam; daarbij mag het gehalte niet worden bepaald op een waarde: Voorschrift 3 1. Het in voorschrift 2, eerste lid, gestelde verbod geldt niet voor beperkt lozen en voor lozen als bedoeld in voorschrift 1, eerste lid, onderdelen b tot en met s, indien de afstand tot de dichtstbijzijnde riolering meer bedraagt dan: 2. Het in voorschrift 2, eerste lid, gestelde verbod geldt niet voor afvalwater dat nadat aan voorschrift 1, tweede lid, is voldaan, niet volledig op het openbaar riool kan worden geloosd. 3. Indien in verband met het eerste en tweede lid op een oppervlaktewaterlichaam wordt geloosd geldt voor: 4. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing, indien de betreffende lozingen voor 1 november 1994 nog niet plaatsvonden. Voorschrift 4 1. Beperkt lozen vindt plaats met behulp van een voorziening voor de individuele behandeling van afvalwater waarmee de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van een oppervlaktewaterlichaam zoveel mogelijk worden voorkomen. 2. Indien aan het desbetreffende oppervlaktewaterlichaam in een plan, vastgesteld ingevolge de Waterwet, een bijzondere functie of wa
- – beperkt lozen: lozen op een oppervlaktewaterlichaam van huishoudelijk afvalwater van 10 inwonerequivalenten of minder;
- – biologische teelt: teelt uitgevoerd overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens Landbouwkwaliteitsbesluit 2007;
- – condenswater: water dat door condensvorming ontstaat aan de binnenzijde van de kas en via de condensgootjes of het hemelwaterafvoersysteem wordt verzameld;
- – fust: verpakkingsmateriaal waarin geteelde producten worden vervoerd;
- – grondgebonden teelt: wijze van telen waarbij gewassen vrij in de bodem groeien;
- – hemelwater: water dat als gevolg van natte depositie op de buitenkant van de kas via het hemelwaterafvoersysteem wordt verzameld;
- – lijst 1: de bij deze bijlage behorende lijst 1;
- – lijst 2: de bij deze bijlage behorende lijst 2;
- – lijst 3: de bij deze bijlage behorende lijst 3;
- – opkweekbedrijf: glastuinbouwbedrijf dat uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor de productie van plantaardig uitgangsmateriaal;
- – recirculatie: hergebruik van opgevangen drain- of drainagewater;
- – recirculatiesysteem: voorziening voor het opvangen en transporteren van drain-, onderscheidenlijk drainagewater, ten behoeve van hergebruik;
- – teeltoppervlak: oppervlak, uitgedrukt in m2, gelegen onder een permanente opstand van glas of van kunststof, die wordt gebruikt voor het telen van gewassen.
- a. huishoudelijk afvalwater;
- b. spoelwater van filters van een waterdoseringsinstallatie;
- c. terugspoelwater van een ontijzeringsinstallatie, onder de voorwaarden gesteld bij of krachtens voorschrift 5, tweede en derde lid;
- d. spoelwater van ionenwisselaars;
- e. afvalwater dat bloemvoorbehandelingsmiddelen uitsluitend op basis van actief chloor bevat;
- f. uitlek- en percolatiewater van substraatafval;
- g. door bedrijfsactiviteiten verontreinigd drainagewater, onder de voorwaarden gesteld bij of krachtens voorschrift 13 en 14;
- h. spuiwater, onder de voorwaarden, gesteld bij of krachtens voorschrift 11;
- i. drainwater, onder de voorwaarden, gesteld bij of krachtens voorschrift 12;
- j. ketelspuiwater;
- k. afvalwater afkomstig van het spuiten of schrobben van vloeren, niet zijnde de vloeren van ruimten waar bestrijdingsmiddelen worden aangemaakt, onder de voorwaarden gesteld bij of krachtens voorschrift 6, eerste, tweede en derde lid;
- l. afvalwater afkomstig van het wassen van in de kas geteelde groenteprodukten onder de voorwaarden, gesteld bij of krachtens voorschrift 7;
- m. reinigingswater van leidingen, druppelaars en slangen die onderdeel uitmaken van het systeem waarmee voedingswater aan het gewas wordt toegediend;
- n. spoelwater van fusten, onder de voorwaarden, gesteld bij of krachtens voorschrift 8, tweede tot en met vierde lid;
- o. condenswater van stoomleidingen en condensorwater van verwarmingsketels;
- p. afvalwater afkomstig van het reinigen van de buitenkant van de kas, mits uitsluitend schermmiddelen en reinigingsmiddelen zijn toegepast die niet schadelijk zijn voor de goede werking van de zuiveringstechnische werken; niet schadelijke middelen zijn in ieder geval de middelen die behoren tot een van de categorieën, bedoeld in lijst 1;
- q. condenswater van warmtekrachtinstallaties met een gehalte aan minerale olie dat niet hoger is dan 20 mg/l, bepaald volgens NEN-EN-ISO 9377-2, uitgave december 2000;
- r. afvalwater afkomstig van het bij opkweekbedrijven doorspoelen van substraatblokken die bestemd zijn voor de opkweek van uitgangsmateriaal;
- s. ander afvalwater dan bedoeld in de onderdelen a tot en met r, mits degene die voornemens is te lozen, voordat met het lozen wordt aangevangen, ten genoegen van het inrichting-bevoegd gezag aantoont dat het afvalwater geen restanten van bestrijdingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de kwaliteit van een oppervlaktewaterlichaam en voor de doelmatige werking van de zuiveringstechnische werken, bevat.
- a. in de volgorde zoals in het eerste lid is aangegeven;
- b. met een zodanig volume per tijdseenheid, dat de afvoercapaciteit van het openbaar riool en het zuiveringstechnische werk optimaal worden benut; indien het voor het volledig benutten van de afvoercapaciteit noodzakelijk is, worden daartoe aangebracht:
- 1. een buffervoorziening, aangebracht vóór het lozingspunt op het openbaar riool, van ten hoogste 50 m3/ha teeltoppervlak, en
- 2. een voorziening die gespreide afvoer op het openbaar riool gedurende 24 uur per dag mogelijk maakt.
- a. maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van het volume, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, en
- b. bij maatwerkvoorschrift de voorzieningen voorschrijven, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b.
- a. koelwater, dat ten gevolge van bedrijfsactiviteiten uitsluitend thermisch is verontreinigd, niet warmer is dan 30°C en waarvan het gehalte aan chloride, ijzer, zuurstof of organische stof de kwaliteit van een oppervlaktewaterlichaam niet in gevaar brengt;
- b. niet door bedrijfsactiviteiten verontreinigd drainagewater;
- c. condenswater dat afkomstig is uit kassen waarin geen bestrijdingsmiddelen worden toegepast, dan wel waarin uitsluitend biologische teelt wordt toegepast;
- d. afvalwater afkomstig van het reinigen van de buitenkant van de kas, mits uitsluitend schermmiddelen en reinigingsmiddelen zijn toegepast die de kwaliteit van een oppervlaktewaterlichaam niet in gevaar brengen; niet schadelijke middelen zijn in ieder geval de middelen die behoren tot een van de categorieën, bedoeld in lijst 2;
- e. condenswater van stoomleidingen en condensorwater van verwarmingsketels, dat niet warmer is dan 30°C;
- f. brijn van omgekeerde osmose en spoelwater van ionenwisselaars, indien het gehalte aan chloride, ijzer, zuurstof en organische stof de kwaliteit van een oppervlaktewaterlichaam niet in gevaar brengt;
- g. afvalwater uit het hemelwaterafvoersysteem, onder de voorwaarden, opgenomen in voorschrift 9;
- h. afvalwater afkomstig van straatkolken op het erf onder de voorwaarden, gesteld bij of krachtens voorschrift 10;
- i. condenswater van warmtekrachtinstallaties, dat niet warmer is dan 30°C en waarvan het gehalte aan minerale olie niet hoger is dan 20 mg/l, bepaald volgens NEN-EN-ISO 9377-2, uitgave december 2000;
- j. ander afvalwater dan bedoeld in de onderdelen a tot en met i, mits degene die voornemens is te lozen, voordat met het lozen wordt aangevangen, ten genoegen van het Wtw-bevoegd gezag aantoont dat het afvalwater geen restanten van bestrijdingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen die negatieve gevolgen kunnen hebben voor de kwaliteit van een oppervlaktewaterlichaam, bevat.
- a. lager dan 200 mg/l voor chloride;
- b. lager dan 2 mg/l voor ijzer;
- c. hoger dan 5 mg/l voor zuurstof;
- d. lager dan 15 mg/l voor organische stof.
- a. 40 m, indien op het openbaar riool in verband met de capaciteit uitsluitend beperkt lozen mogelijk is;
- b. 10 m per 0,1 ha teeltoppervlak met een minimum van 40 m, indien op het openbaar riool lozen of een gedeelte van het lozen als bedoeld in voorschrift 1, eerste lid, onderdelen b tot en met s, mogelijk is.
- a. beperkt lozen: voorschrift 4;
- b. de afvalwaterstromen uit voorschrift 1, onderdelen b, d tot en met j, m en o tot en met q: de voorwaarden, bedoeld in die onderdelen;
- c. de afvalwaterstromen uit voorschrift 1, onderdelen c, k, l respectievelijk n: de voorwaarden, gesteld bij of krachtens de voorschriften 5, 6, 7, respectievelijk 8.
- a. hergebruik van spoelwater plaatsvindt en
- b. de uitsleep van water bij het voorspoelen zoveel mogelijk wordt voorkomen en de hoeveelheid naspoelwater wordt geminimaliseerd.
- A. die zodanig is gebouwd, dat condenswater niet in het hemelwaterafvoersysteem kan geraken,
- B. waarin geen bestrijdingsmiddelen worden toegepast of
- C. waarin uitsluitend biologische teelt wordt toegepast.
- a. indien één gewas wordt geteeld: hoger of gelijk aan het in lijst 3 in de kolom achter dat gewas opgenomen gehalte of
- b. indien verschillende gewassen worden geteeld: hoger of gelijk aan het laagste van de in lijst 3 in de kolom achter de verschillende geteelde gewassen opgenomen gehalten.
- a. ten minste een maal per kwartaal een representatief grondmonster genomen en geanalyseerd op de totale hoeveelheid stikstof- en fosforverbindingen,
- b. de hoeveelheid toegediende meststoffen geregistreerd onder vermelding van de samenstelling van de meststof en de oppervlakte, die wordt bemest,
- c. de totale hoeveelheid toegediende stikstof- en fosforverbindingen per oppervlakte-eenheid per jaar geregistreerd en wordt de uitkomst van de analyse, bedoeld in onderdeel a, en de registraties, bedoeld in de onderdelen b en c, gedurende 5 jaren bewaard en op verzoek van het inrichting-bevoegd gezag of, in geval voorschrift 3, tweede lid van toepassing is, het Wtw-bevoegd gezag aan hem overgelegd.
- a. deze extra watergift uitsluitend wordt toegepast voor het doorspoelen van de grond bij een volgteelt van bladgroentegewassen, en
- b. uit een grondmonsteranalyse blijkt dat het bromidegehalte in de grond een voor het te telen gewas schadelijk niveau overschrijdt.
- a. indien één gewas wordt geteeld: hoger is dan of gelijk is aan het in lijst 3 in de kolom achter dat gewas opgenomen gehalte of
- b. indien verschillende gewassen worden geteeld: hoger is dan of gelijk is aan het laagste van de in lijst 3 in de kolom achter de verschillende gewassen opgenomen gehalte.
- a. hergebruik van het drainagewater in verband met de gietwaterbehoefte van het gewas niet mogelijk is of
- b. sprake is van een tijdelijke overschrijding van voor het te telen gewas schadelijke concentratieniveau's aan stoffen.
- a. het gehalte aan chemische grondontsmettingsmiddelen of omzet of afbraakproducten daarvan, bedoeld in het derde lid, waarbij het gehalte niet bepaald mag worden op een waarde lager dan 0,01 µg/l,
- b. het gehalte aan meststoffen, bedoeld in het vierde lid,
- c. hergebruik van drainagewater en
- d. de uitvoering en situering van de controlevoorziening, bedoeld in het achtste lid.
- a. meet het volume spuiwater, drainwater en drainagewater dat per periode van vier weken wordt geloosd;
- b. meet het volume hergebruikt drainagewater per periode van vier weken;
- c. meet het volume toegediend voedingswater per periode van vier weken;
- d. meet en analyseert ten minste ten minste één keer per dertien weken het totale gehalte aan stikstof- en fosforverbindingen, natrium en de geleidingswaarde in het spuiwater, het drainwater en het drainagewater, en
- e. meet en analyseert bij lozen op een oppervlaktewaterlichaam ten hoogste twee maal per jaar het gehalte aan bestrijdingsmiddelen of afbraakproducten daarvan.
- a. de uitvoering van de meting, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en c;
- b. de analyse, bedoeld in het eerste lid, onderdelen d en e;
- c. het meten, de frequentie van het meten, het tijdstip van dit meten en de analyse van het gehalte aan bestrijdingsmiddelen of afbraakproducten daarvan, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e.