Bijlage 2 Bgtb: behorende bij het Besluit glastuinbouw
In deze bijlage wordt verstaan onder: algemeen: met betrekking tot glastuinbouw: met betrekking tot belichting: met betrekking tot geluid: met betrekking tot veiligheid: met betrekking tot bodembescherming: Paragraaf 1.1 Geluid 1.1.1 Voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) en het piekniveau (LAmax), veroorzaakt door de in het glastuinbouwbedrijf aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in het glastuinbouwbedrijf verrichte werkzaamheden en activiteiten, geldt dat: Bij het bepalen van de langtijdgemiddeld beoordelingsniveaus (LAr,LT) blijft het geluid veroorzaakt door het stomen van grond met een installatie van derden, buiten beschouwing. 1.1.2 Voorschrift 1.1.1 is niet van toepassing op glastuinbouwbedrijven die zijn gelegen in een gebied waarvoor bij of krachtens een gemeentelijke verordening beleid ten aanzien van industrielawaai is vastgesteld. In een dergelijk gebied mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, veroorzaakt door de in het glastuinbouwbedrijf aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in het glastuinbouwbedrijf verrichte werkzaamheden en activiteiten, in ieder geval: 06.00–19.00 uur 19.00–22.00 uur 22.00–06.00 uur LAr,LT 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) Lamax 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) 1.1.3 In gevallen waarin op het glastuinbouwbedrijf voorschrift 8.2 van bijlage 1 van het Besluit tuinbouwbedrijven met bedekte teelt milieubeheer van toepassing was, worden de waarden van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op de gevel van woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen in tabel I van voorschrift 1.1.1 met 5 dB verhoogd. 1.1.4 In gevallen waarin voor het glastuinbouwbedrijf een melding op grond van het Besluit tuinbouwbedrijven met bedekte teelt milieubeheer was gedaan, dan wel indien voor het glastuinbouwbedrijf voor inwerkingtreding van dit besluit een Wm-vergunning was verleend: 1.1.5 Geluidhinder door grondstomen met een installatie van derden, wordt zoveel mogelijk voorkomen of
- – ten minste gelijkwaardige instelling: instelling in een lidstaat van de Europese Unie, in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of in een andere staat waarmee de Europese Unie een wederzijdse erkenningsovereenkomst met betrekking tot het in het voorschrift bedoelde onderwerp heeft afgesloten;
- – elektrische en elektronische apparatuur: elektrische en elektronische apparatuur als bedoeld in artikel 1 van het Besluit beheer elektrische en elektronische apparatuur;
- – categorie van gevaarlijke afvalstoffen: categorie als bedoeld in de Regeling scheiden en gescheiden houden van gevaarlijke afvalstoffen;
- – substraatmateriaal: materialen van kunstmatige of natuurlijke oorsprong, bestemd om te worden gebruikt voor het telen van gewassen los van de bodem;
- – tuinbouwfolie: kunststoffolie die wordt toegepast in de glastuinbouw;
- – afgedragen gewas: gedeelte van het gewas dat resteert aan het eind van de teelt, nadat de voor consumptie bedoelde delen van het gewas zijn verwijderd;
- – groepsvervoer: met het oog op het beperken van het aantal transportbewegingen gebundelde afvoer van geteelde gewassen uit het glastuinbouwbedrijf;
- – vaste mest: meststoffen, niet zijnde overige meststoffen als bedoeld in artikel 1, onder g, van de Meststoffenwet, die niet verpompbaar zijn;
- – assimilatiebelichting: kunstmatige belichting van gewassen, gericht op de beïnvloeding van het groeiproces van de gewassen, waarvan het geïnstalleerde elektrische vermogen op enig moment meer bedraagt dan 20 W/m2;
- – donkerteperiode: periode van 1 november tot 1 april van 18.00 tot 24.00 uur en van 1 april tot 1 mei en van 1 september tot 1 november van 20.00 tot 02.00 uur;
- – nanacht: periode van 1 november tot 1 april van 24.00 uur tot het tijdstip van zonsopgang en van 1 april tot 1 mei en van 1 september tot 1 november van 02.00 uur tot het tijdstip van zonsopgang;
- – andere geluidsgevoelige gebouwen: andere geluidsgevoelige gebouwen als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder;
- – langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT): gemiddelde van de afwisselende niveaus van het ter plaatse optredende geluid, gemeten in de loop van een bepaalde periode en vastgesteld en beoordeeld overeenkomstig de «Handleiding meten en rekenen industrielawaai», uitgave 1999;
- – referentieniveau: de hoogste waarde van de onder a en b genoemde niveaus:
- a. het geluidniveau, uitgedrukt in dB(A), dat gemeten over een bepaalde periode, gedurende 95% van de tijd wordt overschreden, exclusief de bijdrage van het glastuinbouwbedrijf zelf;
- b. het optredende langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT), veroorzaakt door wegverkeersbronnen minus 10 dB, met dien verstande dat voor de nachtperiode van 22.00 tot 06.00 uur alleen wegverkeersbronnen in rekening mogen worden gebracht met een intensiteit van meer dan 500 motorvoertuigen gedurende die periode;
- – bedrijfsduurcorrectie: correctie als bedoeld in de «Handleiding meten en rekenen industrielawaai» uitgave 1999, zijnde de logaritmische verhouding tussen de tijdsduur dat de geluidbron gedurende de beoordelingstijd in werking is, en de duur van die beoordelingsperiode;
- – piekniveau (Lamax): maximaal geluidniveau gemeten in de meterstand« F» of «fast»;
- – geluidsgevoelige terreinen: geluidsgevoelige terreinen als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder;
- – geluidniveau: niveau van het ter plaatse optredende geluid, uitgedrukt in dB(A), overeenkomstig de door de Internationale Electrotechnische Commissie (IEC) opgestelde regels, zoals neergelegd in de IEC-publicatie nr. 651, uitgave 1979;
- – biocide: biocide als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden;
- – bodembedreigende stof: stof die de bodem kan verontreinigen als bedoeld in paragraaf 3.1 van deel A3 van de NRB;
- – brandbare vloeistof: stof als bedoeld in klasse 3 van ADR;
- – PGS 13: publicatie nr. 13 van de «Publicatiereeks Gevaarlijke stoffen», getiteld «Ammoniak, toepassing als koudemiddel voor koelinstallaties en warmtepompen», uitgave juli 2005;
- – PGS 15: publicatie nr. 15 van de «Publicatiereeks Gevaarlijke stoffen», getiteld «Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen, richtlijn voor brandveiligheid, arbeidsveiligheid en milieuveiligheid», uitgave juni 2005;
- – PGS 30: publicatie nr. 30 van de «Publicatiereeks Gevaarlijke stoffen», getiteld «Vloeibare aardolieproducten, buitenopslag in kleine installaties», uitgave juli 2005;
- – NRB: Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten, InfoMil, uitgave juli 2003;
- – CUR/PBV: Stichting Civieltechnisch centrum Uitvoering, Research en regelgeving/Plan Bodembeschermende Voorzieningen;
- – CUR/PBV-aanbeveling 44: CUR/PBV-aanbeveling 44 «Beoordeling vloeistofdichtheid van vloeistofdichte voorzieningen» (vierde herziene uitgave), 2005, Stichting CUR, Gouda;
- – vloeistofdichte vloer: vloer direct op de bodem die waarborgt dat geen vloeistof aan de niet met vloeistof belaste zijde van die vloer kan komen;
- – vloeistofdichte voorziening: fysieke voorziening in of direct op de bodem, niet zijnde een vloer, die waarborgt dat geen vloeistof aan de niet met vloeistof belaste zijde van die voorziening kan komen;
- – bodembeschermende voorziening: fysieke voorziening die de kans op emissies of immissies reduceert;
- – bodembeschermende maatregel: handeling in de vorm van controle of onderhoud van een voorziening of proces, ter voorkoming van bodemverontreiniging;
- – Mestdichte vloer: een vloer met een mestdichtheid overeenkomstig de handleiding bij de bouwtechnische richtlijnen mestbassins (HRBM 1991) IMAG-DLO/CUR 1991;
- – vloeistofkerende vloer: een vloer die in staat is vrijgekomen stoffen ten minste zo lang te keren dat deze kunnen worden opgeruimd voordat indringing in de bodem kan plaatsvinden;
- – vloeistofdichte lekbak: een niet bouwkundige vloeistofdichte voorziening met beperkte opvangcapaciteit waarvoor geen PBV-Verklaring vloeistofdichte voorziening kan worden afgegeven.
- a. de niveaus op de in tabel I genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden,
- b. de in de periode tussen 06.00 uur en 19.00 uur in tabel I opgenomen piekniveaus niet van toepassing zijn op het laden en lossen, alsmede op het in en uit het glastuinbouwbedrijf rijden van landbouwvoertuigen en
- c. de in tabel I aangegeven waarden voor woningen ook gelden voor andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen.
- a. het in dat gebied heersende referentieniveau niet overschrijden en
- b. binnen een woning of andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen op de volgende tijdstippen niet meer bedragen dan de in tabel II aangegeven waarden:
- a. blijven de tijdstippen voor de avondperiode (19.00 uur tot 23.00 uur) en de nachtperiode (23.00 uur tot 06.00 uur) van toepassing en
- b. gelden de piekniveaus niet voor het laden en lossen in de periode tussen 19.00 en 06.00 uur ten behoeve van de afvoer van tuinbouwproducten door middel van groepsvervoer, voorzover dit maximaal één keer in de genoemde periode plaatsvindt.
- a. de periode waarin het grondstomen plaatsvindt;
- b. de locatie waar de installatie wordt opgesteld en
- c. het aanbrengen van geluidreducerende voorzieningen binnen het glastuinbouwbedrijf.
- a. treft maatregelen of voorzieningen die ertoe bijdragen dat binnen het glastuinbouwbedrijf het ontstaan van afvalstoffen wordt voorkomen of beperkt en
- b. geeft op verzoek van het inrichting-bevoegd gezag aan welke maatregelen of voorzieningen hij heeft getroffen of zal treffen.
- a. papier- en kartonafval;
- b. kunststofafval, waaronder tuinbouwfolie;
- c. elektrische en elektronische apparatuur;
- d. glasafval;
- e. organisch afval en
- f. substraatmateriaal.
- a. bedrijfsafvalstoffen bevat, die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen;
- b. bedrijfsafvalstoffen bevat, waarvan kan worden voorkomen dat ze in het afvalwater terecht komen;
- c. een gevaarlijke afvalstof is, waarvan kan worden voorkomen dat deze in de riolering terecht komt of
- d. stankoverlast buiten het glastuinbouwbedrijf veroorzaakt, wordt niet in een riolering gebracht.
- a. meer dan 20 mg/l aan minerale oliën in enig steekmonster bevat, bepaald volgens NEN-EN-ISO 9377-2, uitgave december 2000 of
- b. snel bezinkende bedrijfsafvalstoffen bevat met een korreldiameter van meer dan 0,75 mm, bepaald met een testzeef volgens ISO 3310-1, uitgave juli 1990, wordt niet in het openbaar riool gebracht.
- a. Een slibvangput en een olie-afscheider als bedoeld in voorschrift 1.3.5, voldoen aan en worden gedimensioneerd, geplaatst, gebruikt en onderhouden overeenkomstig NEN-EN 858-1, uitgave juni 2002 en december 2004, en NEN-EN 858-2, uitgave februari 2003.
- b. Ten aanzien van de toepassing van NEN-EN 858-1 en van NEN-EN 858-2 als bedoeld in onderdeel a kunnen bij regeling van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer voorschriften worden gegeven. Daarbij kunnen van die NEN afwijkende voorschriften worden vastgesteld.
- c. Een slibvangput en een olie-afscheider voldoen in elk geval aan NEN-EN 858-1, uitgave juni 2002 en december 2004, en NEN-EN 858-2, uitgave februari 2003, en de in onderdeel b bedoelde ministeriële regeling, indien voor deze voorzieningen een kwaliteitsverklaring is afgegeven door een door de Raad voor Accreditatie erkende certificeringsinstelling, waaruit blijkt dat de voorzieningen voldoen aan die NEN en de in onderdeel b bedoelde ministeriële regeling, en die voorzieningen zijn voorzien van een bij ministeriële regeling aangegeven merkteken. Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag om een erkenning als bedoeld in de eerste volzin.
- d. In afwijking van onderdeel a en de voorschriften bedoeld in onderdeel b, kunnen slibvangputten en olie-afscheiders ook voldoen aan regels die ten aanzien van slibvangputten en olie-afscheiders gelden in andere lidstaten van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en waarmee een tenminste met onderdeel a en de in onderdeel b bedoelde voorschriften gelijkwaardige bescherming voor het milieu wordt bereikt.
- e. Een voorziening voldoet in elk geval aan de regels bedoeld in onderdeel d, indien voor deze voorziening een kwaliteitsverklaring is afgegeven door een in een andere lidstaat van de EU of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, erkende certificeringsinstelling, waaruit blijkt dat de voorzieningen voldoen aan deze regels. De certificeringsinstelling is in staat tot het op onafhankelijke, betrouwbare en deskundige wijze beoordelen van een voorziening.
- f. Indien voor een slibvangput en een olie-afscheider geen kwaliteitsverklaring als bedoeld in de onderdelen c of e is afgegeven, toont degene die het glastuinbouwbedrijf drijft ten genoegen van het inrichting-bevoegd gezag aan dat de slibvangput en de olie-afscheider voldoen aan NEN-EN 858-1, uitgave juni 2002 en december 2004, en NEN-EN 858-2, uitgave februari 2003.
- a. belemmert niet de doelmatige werking:
- 1°. van dat riool of
- 2°. van de apparatuur die behoort bij een zodanig openbaar riool en
- b. belemmert niet de verwerking van slib, verwijderd uit een openbaar riool.
- a. gedurende de donkerteperiode die toepassing niet toegestaan, tenzij de bovenzijde op een zodanige wijze is afgeschermd dat de lichtuitstraling met ten minste 98% wordt gereduceerd, en
- b. gedurende de nanacht die toepassing niet toegestaan, tenzij de bovenzijde op een zodanige wijze is afgeschermd dat de kierbreedte ten hoogste 25% van de oppervlakte van de lichtschermen bedraagt.
- a. tot 1 januari 2014 gedurende de donkerteperiode die toepassing niet toegestaan, tenzij de bovenzijde op een zodanige wijze is afgeschermd dat de lichtuitstraling met ten minste 95% wordt gereduceerd, en
- b. tot 1 oktober 2010 gedurende de nanacht die toepassing wel toegestaan voor zover de bovenzijde nog niet is voorzien van een lichtscherminstallatie waarmee ten minste 95% van de lichtuitstraling kan worden gereduceerd.
- a. Leidingen die bestemd zijn voor het transport van bestrijdingsmiddelen of een oplossing daarvan, zijn bovengronds gelegd.
- b. Pompen, vaatwerk en leidingen bestemd voor het aanmaken en doseren van bestrijdingsmiddelen, staan niet in rechtstreekse vaste verbinding met een drinkwaterleiding.
- c. Drinkwater dat wordt gebruikt voor het aanmaken van bestrijdingsmiddelen, wordt uitsluitend via een onderbreektank aan de waterleiding onttrokken.
- d. Mengsels of oplossingen van bestrijdingsmiddelen worden aangemaakt in en vanuit speciaal daarvoor bestemd vaatwerk en het aanmaken vindt plaats boven een vloeistofkerende vloer of vloeistofdichte lekbak.
- e. Tijdens het aanmaken, bedoeld in onderdeel d, worden gemorste droge bestrijdingsmiddelen terstond droog opgenomen en gemorste vloeibare bestrijdingsmiddelen terstond geïmmobiliseerd en in een speciaal daartoe bestemd vat gebracht. Hiertoe zijn voldoende materialen en absorberende middelen voor onmiddellijk gebruik gereed aanwezig.
- f. Bij het aanmaken van bestrijdingsmiddelen in een mobiele spuitinstallatie zijn bodembeschermende maatregelen getroffen.
- a. van een voldoende stijfheid en sterkte om het gewicht van de opgeslagen vloeistof te dragen en om schadelijke vervorming als gevolg van overdruk bij vulling of overvulling te voorkomen;
- b. vloeistofdicht;
- c. voorzien van een ondersteunende constructie van onbrandbaar materiaal en van een doelmatige fundering op plaatsen waar kans op verzakking bestaat;
- d. voorzover het de opslag van zure kunstmeststoffen betreft: voorzien van een ontluchtingsleiding waarvan de uitmonding zich in de buitenlucht bevindt, welke ontluchtingsleiding te allen tijde een open verbinding van de tank met de buitenlucht verzekert. Ontluchtingsleidingen van tanks voor de opslag van zure kunstmeststoffen mogen niet in verbinding staan met ontluchtingsleidingen van tanks voor de opslag van basische kunstmeststoffen;
- e. voorzover een niveau-aanwijzing of peilinrichting is aangebracht: zodanig ingericht dat het uitstromen van vloeistof uit de tank, ook door verkeerde verwerking of door breuk, onmogelijk is;
- f. in elke aansluiting op een tank beneden het hoogste vloeistofniveau en in de toevoerleiding naar het verbruikstoestel, zo dicht mogelijk bij de tankwand, voorzien van een afsluiter. De afsluiter is zodanig uitgevoerd, dat duidelijk zichtbaar is of deze geopend dan wel gesloten is;
- g. voorzien van een overstortleiding met een diameter van 50 mm, die uitmondt op 5 cm boven de bodem van de in h bedoelde bodembeschermende voorziening;
- h. geplaatst boven een vloeistofkerende vloer of een vloeistofdichte lekbak. De vloeistofkerende vloer of de vloeistofdichte lekbak is voldoende sterk om weerstand te bieden aan de als gevolg van een lekkage optredende vloeistofdruk en is bestand tegen de inwerking van de in de tanks opgeslagen stoffen. De vloeistofkerende vloer vormt samen met wanden, drempels of opstaande randen een opvangvoorziening. De inhoud van de opvangvoorziening of de lekbak is ten minste gelijk aan de tankinhoud, indien één tank in deze voorziening is opgesteld. De inhoud van de opvangvoorziening of de lekbak is ten minste gelijk aan de inhoud van de grootste tank, vermeerderd met 10% van de gezamenlijke inhoud van de overige tanks, voorzover er twee of meerdere tanks in deze voorziening zijn opgesteld. Een tank voor de bewaring van een zuur is opgesteld in een andere opvangvoorziening of lekbak dan een tank voor bewaring van een basische stof;
- i. ten hoogste voor 95% gevuld;
- j. evenals de vulleiding nabij de vulopening, voorzien van duidelijk leesbare opschriften met de chemische naam en handelsnaam van het product dat in de tank is opgeslagen en de concentratie van dat product, en de bijbehorende gevarensymbolen;
- k. voorzien van maatregelen en voorzieningen waardoor voorkomen wordt dat bij het vullen van een tank een verkeerde aansluiting wordt gemaakt, waardoor een ander product in de tank kan geraken dan waarvoor de tank bestemd is;
- l. voorzien van vulleidingen die op afschot liggen, aflopend naar de tank. Indien dit om technische redenen niet mogelijk is, dient na het vullen de vulleiding te worden doorgeblazen. vulleidingen moeten met een goed sluitende dop of afsluiter zijn afgesloten, behoudens tijdens het vullen van tanks. Het vullen of aftappen uit een tank moet zonder morsen gebeuren. Vulopeningen dienen tegen mechanische beschadigingen te zijn beschermd en
- m. voorzien van leidingen, die bovengronds of in een daartoe speciaal aangelegde goot gelegd zijn.
- a. vloeibare kunstmeststoffen is geplaatst boven een vloeistofkerende vloer of in een vloeistofdichte lekbak. De vloeistofkerende vloer vormt samen met wanden, drempels of opstaande randen een opvangvoorziening. De inhoud van de opvangvoorziening of de lekbak is ten minste gelijk aan de inhoud van het grootste opgeslagen vat vermeerderd met 10% van de gezamenlijke inhoud van de overige emballage;
- b. een zuur is in een andere opvangvoorziening of lekbak geplaatst dan emballage gevuld met een basische stof.
- a. vindt recirculatie plaats door middel van een drainagestelsel met verzamelput en afvoer naar een centrale opvang waarin het drainwater wordt verwerkt;
- b. is een drainagekoker gelegen op een diepte van niet meer dan 0,25 m boven de gemiddelde grondwaterstand en niet meer dan 1,25 m onder het maaiveld en
- c. sijpelt ten hoogste 10% van de totale hoeveelheid drainwater door naar de bodem.
- a. boven een absorberende laag met een dikte van ten minste 0,15 m en een organische stofgehalte van ten minste 25% of
- b. onder een permanente bovenafdekking, zodanig dat contact met hemelwater zoveel mogelijk wordt voorkomen.
- a. op ten minste 100 m van een object van categorie I en
- b. op ten minste 50 m van een object van categorie II.
- a. treft maatregelen of voorzieningen die ertoe bijdragen dat binnen geurhinder zoveel mogelijk wordt voorkomen of beperkt en
- b. geeft op verzoek van het inrichting-bevoegd gezag aan welke maatregelen of voorzieningen hij getroffen heeft of zal treffen.
- a. zo geplaatst dat aflevering aan een voertuig niet kan plaatsvinden binnen 1 m afstand van een ondergrondse tank en
- b. zodanig ingericht dat onbedoeld uitstromen van brandstof wordt voorkomen.
- a. de motor van het voertuig waaraan de motorbrandstof wordt afgeleverd in werking is of
- b. daarbij gerookt wordt of open vuur of open kunstlicht aanwezig is.
- a. vloeistoffen of vaste stoffen in de bodem terechtkomen,
- b. giftige of explosieve gassen of dampen zich verspreiden, en
- c. geurhinder in de omgeving ontstaat.
- a. werkt doelmatig,
- b. is te allen tijde voor controle bereikbaar en
- c. wordt zo vaak als voor een goede werking noodzakelijk is, gereinigd.
- 1. Een binnen de inrichting als bodembeschermende voorziening toegepaste vloeistofdichte vloer is overeenkomstig het daartoe krachtens het Besluit bodemkwaliteit aangewezen normdocument beoordeeld en goedgekeurd door een instelling, die daartoe beschikt over een erkenning op grond van dat besluit.
- 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een vloeistofdichte vloer die niet inspecteerbaar is als bedoeld in CUR/PBV-aanbeveling 44. Een dergelijke voorziening wordt eens per zes jaar beoordeeld en goedgekeurd overeenkomstig een door het bevoegd gezag goedgekeurde wijze. Het vijfde lid is daarop van overeenkomstige toepassing.
- 3. De eerste beoordeling en goedkeuring vindt in afwijking van het eerste lid, plaats binnen zes jaar na aanleg, indien de vloeistofdichte vloer, bedoeld in het eerste lid, is aangelegd overeenkomstig het daartoe krachtens het Besluit bodemkwaliteit aangewezen normdocument door een bedrijf dat daartoe beschikt over een erkenning op grond van dat besluit.
- 4. Een vloeistofdichte vloer wordt ten minste eens per zes jaar beoordeeld en goedgekeurd overeenkomstig het eerste lid.
- 5. Degene die de inrichting drijft draagt zorg voor:
- a. reparatie en regelmatig onderhoud van de vloeistofdichte vloer of verharding en geomembraanbaksysteem overeenkomstig onderdeel A 4 van de NRB bedrijfsmatige activiteiten, en
- b. een jaarlijkse controle van de bodembeschermende voorziening overeenkomstig bijlage D behorende bij CUR/PBV-aanbeveling 44.
- 6. Een vloeistofdichte vloer of verharding of een geomembraanbaksysteem wordt opnieuw beoordeeld en goedgekeurd overeenkomstig het eerste lid, indien de reparatie, het regelmatig onderhoud of de controle, bedoeld in het vijfde lid, niet of niet overeenkomstig dat lid is uitgevoerd of indien een tijdens een controle geconstateerd gebrek niet is gerepareerd.
- a. de resultaten van geluidmetingen en het op basis van voorschrift 4.2.1 verrichte onderzoek naar de mogelijkheden tot beperking van het ontstaan van afvalstoffen;
- b. onderhoudscontracten met betrekking tot in het glastuinbouwbedrijf aanwezige installaties;
- c. een bewijs van de beoordeling als bedoeld in voorschrift 2.4.2;
- d. het logboek als bedoeld in voorschrift 3.2.6;
- e. certificaten of bewijzen van:
- 1. de installatie van tanks, filters en andere voorzieningen;
- 2. periodiek onderhoud of keuring van in het glastuinbouwbedrijf aanwezige installaties of voorzieningen en
- 3. niet-periodiek keuringen van elektrische of bouwkundige voorzieningen of installaties;
- f. jaarlijkse overzichten van nutsbedrijven van het verbruik van water;
- g. de veiligheidsinformatiebladen, die behoren bij de in het glastuinbouwbedrijf aanwezige gevaarlijke stoffen;
- h. afgiftebewijzen van bedrijfsafvalstoffen.
- a. het doen van onderzoek naar de mogelijkheden tot het treffen van maatregelen of voorzieningen ten behoeve van het voorkomen of het beperken van het ontstaan van afvalstoffen binnen het glastuinbouwbedrijf, voorzover maatregelen of voorzieningen onvoldoende bekend zijn, of
- b. de ten behoeve van het voorkomen of het beperken van het ontstaan van afvalstoffen binnen het glastuinbouwbedrijf te treffen maatregelen of voorzieningen als bedoeld in voorschrift 1.2.1.