Bijlage VIII Keuringsreglement voor de Zeevaart 2002
Keuringsreglement voor de Zeevaart 2002
- A. In de volgende gevallen kan ontheffing worden verleend van de eisen voor het gezichtsorgaan: Waar nodig kunnen beperkingen aan werkzaamheden, vaargebied of scheepstype worden gesteld. Een zeevarende dient te allen tijde in staat te zijn om adequaat te handelen in geval van nood. Hij moet daarbij niet alleen in staat zijn zichzelf in veiligheid te stellen, maar moet tevens kunnen assisteren bij het bestrijden van brand, het lanceren van reddingboten en het assisteren van medebemanningsleden en passagiers.
- 1. Aan bevaren zeelieden, aan wie het houden van uitkijk, dan wel de wacht op de brug kan worden opgedragen, die vóór 1 augustus 1981 voor het eerst zijn aangemonsterd of in dienst zijn getreden, en een gezichtsscherpte hebben, zonder corrigerende glazen, van ten minste 0,2 met beide ogen gelijktijdig, en met corrigerende glazen van ten minste 0,6 met beide ogen gelijktijdig en van tenminste 0,1 met elk oog afzonderlijk.
- 2. Aan bevaren zeelieden, aan wie de wacht in de ruimte voor machines kan worden opgedragen, die vóór 1 augustus 1981 voor het eerst zijn aangemonsterd of in dienst getreden en een gezichtsscherpte hebben van ten minste 0,4 bij het zien met een of twee ogen, eventueel met corrigerende glazen;
- 3. Aan bevaren zeelieden, aan wie het houden van uitkijk, dan wel de wacht op de brug kan worden opgedragen, die vóór 1 augustus 1988 voor het eerst zijn aangemonsterd of in dienst getreden, en een refractieve chirurgie hebben ondergaan.
- 4. Aan bevaren zeelieden, aan wie de wacht in de ruimte voor machines kan worden opgedragen, die vóór 1 augustus 1988 voor het eerst zijn aangemonsterd of in dienst getreden en een refractieve chirurgie hebben ondergaan, of een ernstige kleurenzienstoornis hebben
- 5. Aan bevaren zeelieden, die vóór 1 augustus 1988 als loods in dienst zijn getreden en een gezichtsscherpte zonder corrigerende glazen hebben van ten minste 0,2 met beide ogen gelijktijdig en met corrigerende glazen van ten minste 0,6 met beide ogen gelijktijdig en van ten minste 0,1 met elk oog afzonderlijk.
- 6. Aan bevaren zeelieden, die vóór mei 1998 dienst hebben gedaan als bemanningslid aan boord van een zeegaand Rijksvaartuig, aan wie het houden van uitkijk, dan wel de wacht op de brug kan worden opgedragen en een gezichtsscherpte, zonder corrigerende glazen, hebben van ten minste 0,2 met beide ogen gelijktijdig en met corrigerende glazen, van ten minste 0,6 met beide ogen gelijktijdig en van ten minste 0,1 met elk oog afzonderlijk.
- 7. Aan bevaren zeelieden, die weliswaar niet voldoen aan de keuringseisen, maar waarvan de scheidsrechter vast stelt dat er voldoende compensatie is door ervaring in het herkennen en intuïtief beoordelen van bepaalde waarnemingen, waarbij een veilige uitoefening van de werkzaamheden niet wordt belemmerd, en de aanwezigheid van de kandidaat geen gevaar oplevert voor de gezondheid van de overige opvarenden.
- B. In de volgende gevallen kan ontheffing worden verleend van de eisen voor het gehoororgaan:
- 1. Aan bevaren zeelieden, die vóór 1 augustus 1988 als loods in dienst zijn getreden en op de leeftijd van 41 jaar of ouder geen groter gehoorverlies hebben dan 30 decibel voor de frequenties 500, 1000 en 2000 Hz.
- 2. Aan bevaren zeelieden, die vóór mei 1998 dienst hebben gedaan als bemanningslid aan boord van een zeegaand Rijksvaartuig, aan wie het houden van uitkijk, dan wel de wacht op de brug kan worden opgedragen, en op de leeftijd van 41 jaar of ouder geen groter gehoorverlies hebben dan 30 decibel voor de frequenties 500, 1000 en 2000 Hz.
- 3. Aan bevaren zeelieden die gebruik maken van één of twee hoortoestellen, mits wordt voldaan aan de volgende metingen in het `vrije veld': Daarnaast dient bij de keuring te worden aangetoond dat aan het navolgende wordt voldaan:
- a. Bij gebruik van één of meer hoortoestellen op een door de gebruiker te kiezen versterking dienen losse woorden, zonder lipbeeld gesproken op conversatiesterkte op 2 meter afstand, geheel foutloos nagesproken te worden.
- b. Bij gebruik van één of meer hoortoestellen dient richtinghoren mogelijk te zijn tot binnen een hoek van 45°.
- a. Er dienen voldoende batterijen aan boord te zijn voor een periode gelijk aan tweemaal de duur van de reis.
- b. Er dient bij de keuring ten minste één adequaat reserve hoortoestel te worden getoond, waarbij in het geval van een achter-het-oor hoortoestel ook een bijpassend oorstukje aanwezig dient te zijn.
- c. Indien in tropische gebieden wordt gevaren dienen de hoortoestellen op het moment van de keuring een `tropenbehandeling' te hebben gehad.
- d. Tijdens de keuring moet blijken dat de kandidaat bij het blootstaan aan lawaai een goede keuze kan maken tussen het gebruik van gehoorbescherming of het uitschakelen van het hoortoestel
- 4. Aan bevaren zeelieden, die weliswaar niet voldoen aan de keuringseisen, maar waarvan de scheidsrechter vaststelt dat het gehoorverlies voldoende wordt gecompenseerd door ervaring in het herkennen en intuïtief beoordelen van bepaalde geluiden, waarbij een veilige uitoefening van de werkzaamheden niet wordt belemmerd, en de aanwezigheid van de kandidaat geen gevaar oplevert voor de gezondheid van de overige opvarenden. Waar nodig kunnen beperkingen aan werkzaamheden, vaargebied of scheepstype worden gesteld. Een zeevarende dient te allen tijde in staat te zijn om adequaat te handelen in geval van nood. Hij (zij) moet daarbij niet alleen in staat zijn zichzelf in veiligheid te stellen, maar moet tevens kunnen assisteren bij het bestrijden van brand, het lanceren van reddingboten en het assisteren van medebemanningsleden en passagiers.