Bijlage 2 NRpte 2002: bijlage ter uitvoering van artikel 3 van deze regeling, houdende bepalingen omtrent de kapitaalvereisten voor het afdekken van het marktrisico en overige financiële risico's.
Nadere regeling prudentieel toezicht effectenverkeer 2002 (NRpte 2002)
In deze bijlage wordt verstaan onder: Het toetsingsvermogen bedraagt ten minste de som van de kapitaalvereisten ter dekking van:
- a) handelsportefeuille: de eigen posities in financiële instrumenten die door de effecteninstelling voor wederverkoop worden aangehouden of worden ingenomen met de bedoeling op korte termijn een voordeel te behalen uit bestaande of verwachte verschillen tussen de aankoop- en verkoopprijzen of uit andere koers- of renteschommelingen, en posities in financiële instrumenten uit hoofde van door een tussenpersoon voor eigen rekening verrichte compenserende aan- en verkopen of posities die worden ingenomen teneinde andere elementen van de handelsportefeuille af te dekken. Voor de toepassing van deze bijlage wordt onder de handelsportefeuille tevens begrepen de onderstaande posities:
- - de risicoposities in verband met niet-afgewikkelde transacties als bedoeld in 2.4.1 tot en met 2.4.3, leveringen zonder tegenprestatie ('free deliveries') als bedoeld in 2.4.4 en afgeleide over the counter (OTC)-instrumenten als bedoeld in 2.4.9 tot en met 2.4.12;
- - de risicoposities als bedoeld in 2.4.5 tot en met 2.4.8 in verband met retrocessie-overeenkomsten en verstrekte effectenleningen, welke berusten op overeenkomstig punt a hierboven in de handelsportefeuille opgenomen effecten en de risicoposities in verband met omgekeerde retrocessie-overeenkomsten en opgenomen effectenleningen, welke voldoen aan de voorwaarden vermeld onder (1), (2), (3) en (5) dan wel aan de voorwaarden vermeld onder (4) en (5);
- (1) de risicoposities worden dagelijks tegen marktwaarde gewaardeerd volgens de procedure beschreven in 2.4;
- (2) de zekerheid wordt aangepast om rekening te houden met veranderingen van betekenis in de waarde van de effecten waarop de overeenkomst of effectenleningstransactie in kwestie berust, overeenkomstig een voor de Bank aanvaardbare regel;
- (3) in de overeenkomst of effectenleningstransactie is bepaald dat de vorderingen van de instelling automatisch en onmiddellijk worden gecompenseerd met de vorderingen van de tegenpartij, indien deze in gebreke blijft;
- (4) de overeenkomst of effectenleningstransactie in kwestie wordt aangegaan tussen professionele partijen;
- (5) een dergelijke overeenkomst of effectenleningstransactie wordt uitsluitend aangegaan in de gebruikelijke en passende omstandigheden, kunstmatige transacties, vooral die welke geen korte-termijntransacties zijn, zijn uitgesloten;
- - de risicoposities in de vorm van provisie, courtage, rente, dividend en marges met betrekking tot aan een effectenbeurs verhandelde afgeleide instrumenten, welke rechtstreeks verband houden met de in de handelsportefeuille opgenomen elementen;
- - incidentele posities die voortvloeien uit fouten bij de uitvoering van cliëntenorders. Indien het een instelling niet is toegestaan om transacties voor eigen rekening te verrichten dienen betreffende posities onverwijld te worden afgebouwd. Indien hieraan in redelijkheid vanwege specifieke (markt) omstandigheden niet kan worden voldaan kan de Bank in bijzondere gevallen toestemming geven voor een verlenging van deze termijn;
- b) beleggingsportefeuille: de eigen posities in financiële instrumenten waarvan de effecteninstelling kan aantonen dat deze uitsluitend worden aangehouden als belegging en niet voor handelsdoeleinden, met inachtneming van de navolgende voorwaarden met betrekking tot de administratie van de beleggingsportefeuille:
- - de beleggingsportefeuille wordt separaat geadministreerd van de handelsportefeuille;
- - posities van de beleggingsportefeuille mogen niet overgeboekt worden naar de handelsportefeuille en vice versa;
- - transacties in de beleggingsportefeuille dienen onmiddellijk na uitvoering geadministreerd te worden in de beleggingsportefeuille;
- - een effecteninstelling beschrijft uitvoerig het doel van de beleggingsportefeuille alsmede de financiële instrumenten die gehanteerd worden in deze beleggingsportefeuille;
- - alle andere aanvullende voorwaarden die door de Bank worden gesteld;
- c) algemeen risico: het risico van een prijsverandering van een financieel instrument als gevolg van (bij een verhandelbaar schuldinstrument of daarvan afgeleid instrument) een wijziging in de rentestand of (bij een aandeel of daarvan afgeleid instrument) een algemene koersontwikkeling op de aandelenmarkt;
- d) specifiek risico: het risico van een prijsverandering van een financieel instrument als gevolg van factoren die verband houden met de emittent ervan of, in het geval van een afgeleid instrument, de emittent van het onderliggende instrument;
- e) posten centrale overheid: lange en korte posities in activa betreffende:
- - kasmiddelen en gelijkwaardige posten;
- - vorderingen op, of activa die uitdrukkelijk zijn gegarandeerd door, centrale overheden en centrale banken van Zone A;
- - vorderingen op de Europese Gemeenschappen;
- - vorderingen op, of activa die uitdrukkelijk zijn gegarandeerd door, centrale overheden en centrale banken van Zone B, luidende en gefinancierd in de nationale valuta van de leningnemer; alsmede
- - activa die ten genoegen van de Bank zijn gegarandeerd door onderpand in de vorm van effecten die zijn uitgegeven door centrale overheden of centrale banken van Zone A of door de Europese Gemeenschappen, door deposito's in contanten bij de leningverstrekkende instelling of door certificaten van deposito of soortgelijk papier, uitgegeven door en gedeponeerd bij laatstgenoemde instelling;
- f) gekwalificeerde posten: lange en korte posities in activa betreffende:
- - vorderingen op, of activa die uitdrukkelijk zijn gegarandeerd door, de Europese Investeringsbank of multilaterale ontwikkelingsbanken;
- - vorderingen op kredietinstellingen van Zone A vertegenwoordigen en die geen eigen vermogen van die instellingen zijn of activa die uitdrukkelijk zijn gegarandeerd door kredietinstellingen van Zone A;
- - activa die vorderingen op kredietinstellingen van Zone B vertegenwoordigen met een looptijd van ten hoogste een jaar, met uitzondering van door deze instellingen uitgegeven effecten die als bestanddelen van hun eigen vermogen zijn erkend of activa die vorderingen met een looptijd van ten hoogste een jaar vertegenwoordigen welke uitdrukkelijk zijn gegarandeerd door kredietinstellingen van Zone B;
- - of activa die ten genoegen van de Bank zijn gegarandeerd door onderpand in de vorm van effecten die zijn uitgegeven door de Europese Investeringsbank of door multilaterale ontwikkelingsbanken;
- - liquide middelen in de inningfase;
- - lange en korte posities in schuldinstrumenten uitgegeven door effecteninstellingen;
- g) rapportagevaluta: de euro;
- h) warrant: een effect dat de houder het recht geeft om tot het einde van de looptijd van de warrant tegen een vastgestelde prijs een aantal gewone (certificaten van) aandelen of obligaties te kopen. De afwikkeling kan plaatsvinden door levering van de desbetreffende effecten zelf of het equivalent daarvan in geldmiddelen;
- i) gedekte warrant: een door een ander lichaam dan de emittent van het onderliggend instrument uitgegeven instrument dat de houder het recht geeft om tot het einde van de looptijd van de warrant tegen een vastgestelde prijs een aantal gewone (certificaten van) aandelen of obligaties te kopen, of het recht om winst vast te leggen of verlies te vermijden op grond van schommelingen in een index betreffende een van de financiële instrumenten;
- j) (omgekeerde) retrocessieovereenkomst: een overeenkomst waarbij een instelling of haar tegenpartij effecten overdraagt onder de verbintenis deze effecten of vervangende effecten met dezelfde kenmerken tegen een vastgestelde prijs op een door de overdragende instelling bepaald of te bepalen tijdstip in de toekomst terug te kopen, wordt aangemerkt als een retrocessieovereenkomst voor de instelling die bij het aangaan van de transactie de effecten verkoopt en een omgekeerde retrocessieovereenkomst voor de instelling die de effecten koopt;
- k) converteerbaar waardepapier: een waardepapier dat naar keuze van de houder tegen een ander waardepapier, gewoonlijk een aandeel van de emittent, kan worden omgeruild;
- l) in the money: een afgeleid financieel instrument met intrinsieke waarde is 'in the money'. Bij een call optie betekent dit dat de uitoefenprijs van de optie onder de koers ligt van de onderliggende waarde. Bij een put optie betekent dit dat de uitoefenprijs van de optie hoger is dan de koers van de onderliggende waarde;
- m) delta: de verwachte verandering van een (optie)prijs als evenredig deel van een geringe verandering in de prijs van het onderliggende instrument;
- n) margin: het door een effectenbeurs verplicht gestelde bedrag dat ter dekking dient te worden aangehouden van een (optie)positie;
- o) theoretische hoofdsom: het product van de handelseenheid en de uitoefenprijs van het onderliggende effect waarop het afgeleide financiële instrument betrekking heeft;
- p) handelseenheid: de hoeveelheid van een onderliggend instrument waarop één afgeleid instrument betrekking heeft;
- q) Zone A: betreft de lidstaten van de Europese Gemeenschap en alle overige landen die volwaardig lid zijn van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en de landen die bijzondere leningsarrangementen met het Internationale Monetaire Fonds (IMF) hebben gesloten in samenhang met de algemene leningsarrangementen (GAB) van het IMF. Een land dat zijn officiële externe schuld herstructureert wordt echter voor een periode van vijf jaar van de omschreven groep uitgesloten. Tot deze groep worden de volgende met name genoemde landen gerekend: Australië, België, Canada, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Ierland, IJsland, Italië, Japan, Liechtenstein, Luxemburg, Mexico, Monaco, Nederland, NieuwZeeland, Noorwegen, Oostenrijk, Porto Rico, Portugal, Saoedi-Arabië, Spanje, Tsjechië, Turkije, Verenigde Staten, Verenigd Koninkrijk, Zuid-Korea, Zweden en Zwitserland;
- r) Zone B: betreft de landen die niet tot de Zone A landen behoren.
- - het positierisico met betrekking tot de handelsportefeuille (rubriek 2.3);
- - het afwikkelings-, leverings- en tegenpartijrisico met betrekking tot de handelsportefeuille (rubriek 2.4);
- - grote risico's met betrekking tot de handelsportefeuille (rubriek 2.5);
- - het valutarisico ten aanzien van het gehele bedrijf (rubriek 2.6);
- - de overige risico's (rubriek 2.7).
- 1 Bij de berekening van het kapitaalvereiste ter dekking van het positierisico met betrekking tot de handelsportefeuille, wordt:
- a) de netto positie van een effecteninstelling in een bepaald fonds berekend door het verschil te nemen tussen de totale lange en korte positie in het desbetreffende fonds. Hierbij worden posities in afgeleide effecten volgens de in deze rubriek beschreven berekeningsmethode aangemerkt als virtuele posities in onderliggende effecten;
- b) de totale netto positie berekend als de som van de lange posities minus de som van de korte posities;
- c) de totale bruto positie berekend als de som van de lange posities en de korte posities;
- d) de netto positie per fonds door de effecteninstelling op dagbasis omgerekend naar de rapportagevaluta.
- 2 Het kapitaalvereiste ter dekking van het specifieke risico bedraagt 4% van de totale bruto positie.
- 3 Het kapitaalvereiste ter dekking van het algemene risico bedraagt 8% van de totale netto positie.
- 4 Een effecteninstelling berekent per valuta haar netto positie, welke zij afhankelijk van de aard van de debiteur en van de resterende looptijd van het effect, onderbrengt in tabel 1. De posities worden vermenigvuldigd met de desbetreffende wegingsfactoren uit deze tabel. De som van deze gewogen (absolute) posities is het kapitaalvereiste voor het specifieke risico.
- 5 Voor het bepalen van het kapitaalvereiste voor het algemeen risico van schuldinstrumenten kan een effecteninstelling kiezen uit:
- A. de looptijdmethode; of
- B. de durationmethode. De keuze voor de methode moet duidelijk worden vermeld en consistent worden gebruikt. Verandering van de methode is slechts mogelijk na voorafgaande toestemming van de Bank.
- 6 De berekening van het kapitaalvereiste voor het algemeen risico volgens de looptijdmethode, geschiedt als volgt:
- a) een effecteninstelling brengt haar netto positie in schuldinstrumenten afhankelijk van de hoogte van de coupon en de resterende looptijd onder in kolom 2 of 3 van tabel 2. Indien het schuldinstrument een vast rentepercentage heeft, wordt de resterende looptijd tot de eindvervaldatum als looptijd gehanteerd. Indien het schuldinstrument een variabel rentepercentage heeft, wordt de resterende looptijd tot de volgende rentevaststelling als looptijd gehanteerd;
- b) elk van deze netto posities wordt vermenigvuldigd met de wegingsfactor die voor de desbetreffende looptijdklasse is vermeld in kolom 4 van tabel 2. Deze vermenigvuldiging resulteert in de netto gewogen posities;
- c) per looptijdklasse wordt de som van de gewogen lange posities en de som van de gewogen korte posities bepaald;
- d) per looptijdklasse wordt de gecompenseerde gewogen positie bepaald, daaronder te verstaan het gedeelte van de som van de gewogen lange positie per looptijdklasse waartegenover een gewogen korte positie in diezelfde looptijdklasse staat. Het resterend bedrag vormt de niet gecompenseerde gewogen positie van de looptijdklasse;
- e) het totaal van de gecompenseerde gewogen posities in alle looptijdklassen wordt bepaald;
- f) per looptijdklasse wordt de niet gecompenseerde lange positie en vervolgens de totale niet gecompenseerde lange positie per zone bepaald;
- g) per looptijdklasse wordt de niet gecompenseerde korte positie en vervolgens de totale niet gecompenseerde korte positie per zone bepaald;
- h) op basis van de onder f en g berekende posities per zone, wordt per zone de gecompenseerde en de niet gecompenseerde positie bepaald;
- i) de gecompenseerde gewogen positie tussen zone 1 en 2 wordt bepaald door eventueel tegengestelde niet gecompenseerde posities in de zones 1 en 2 te compenseren;
- j) indien na de berekening als bedoeld onder i nog een resterende niet gecompenseerde positie aanwezig is in zone 2, wordt naar analogie een zelfde berekening uitgevoerd tussen deze positie uit zone 2 en de niet gecompenseerde positie in zone 3;
- k) de som van de resterende niet gecompenseerde posities wordt bepaald;
- l) vervolgens wordt op basis van de berekeningen bedoeld onder c tot en met k, het kapitaalvereiste voor het algemeen risico van schuldinstrumenten berekend als de som van onderstaande factoren:
- - 10% van de som van de gecompenseerde gewogen posities in alle looptijdklassen, zoals berekend onder e;
- - 40% van de gecompenseerde gewogen positie in zone 1, zoals berekend onder h;
- - 30% van de gecompenseerde gewogen positie in zone 2, zoals berekend onder h;
- - 30% van de gecompenseerde gewogen positie in zone 3, zoals berekend onder h;
- - 40% van de gecompenseerde gewogen positie tussen de zone's 1 en 2, en tussen de zone's 2 en 3, zoals berekend onder i en j;
- - 100% van de resterende niet gecompenseerde gewogen posities zoals berekend onder k;
- m) Het is een effecteninstelling toegestaan een vereenvoudigde methode toe te passen, waarbij compensatie binnen de zones achterwege wordt gelaten en slechts compensatie plaats vindt tussen de zones. De posities worden per zone gegroepeerd en niet onderverdeeld naar looptijdklassen. Per zone wordt de positie gewogen naar de zwaarste wegingsfactor van de zone. De dan verkregen waarden worden conform 2.3.6, sub l, omgerekend naar een kapitaalvereiste.
- 7 De berekening van het kapitaalvereiste voor het algemene risico volgens de durationmethode geschiedt als volgt: a) het effectief rendement van de schuldinstrumenten wordt bepaald met inachtneming van de onderstaande uitgangspunten:
- - voor vastrentende instrumenten wordt, uitgaande van de marktwaarde van het instrument, het effectief rendement berekend tot het einde van de looptijd;
- - bij niet vastrentende instrumenten wordt, uitgaande van de marktwaarde van het instrument, het effectief rendement berekend tot het eerstvolgende tijdstip waarop aanpassing van het rentepercentage kan plaatsvinden; het effectief rendement van het schuldinstrument is het discontopercentage voor dat instrument in de verdere berekening van de duration; b) de gewijzigde duration wordt berekend op basis van de volgende formule: en r = effectief rendement in % per jaar tot het einde van de looptijd, uitgedrukt in een perunage; Ct = kasstroom (rentebetaling en/of aflossing) op tijdstip t; m = totale looptijd tot aflossing of tot eerstvolgend tijdstip waarop aanpassing van het rentepercentage kan plaatsvinden (zie 7a); t = tijdstip waarop een kasstroom plaatsvindt; c) elk instrument wordt vervolgens op basis van de berekende gewijzigde duration van dat schuldinstrument, ondergebracht in de passende zone van tabel 3; d) de naar duration gewogen positie van elk instrument wordt berekend door de marktwaarde van het instrument te vermenigvuldigen met de gewijzigde duration van dat instrument en de veronderstelde renteverandering voor die specifieke gewijzigde duration (kolom 3 van tabel 3); e) per zone wordt de naar duration gewogen lange respectievelijk korte positie bepaald. Vervolgens worden binnen de zone de lange en korte posities gecompenseerd. Per zone worden vervolgens de gecompenseerde positie en de niet gecompenseerde positie bepaald; f) de gecompenseerde gewogen positie tussen zone 1 en 2 wordt bepaald door eventueel tegen-gestelde niet gecompenseerde posities in de zones 1 en 2 te compenseren; g) indien na de berekening als bedoeld onder f nog een resterende niet gecompenseerde positie aanwezig is in zone 2 wordt naar analogie eenzelfde berekening uitgevoerd tussen deze positie uit zone 2 en de niet gecompenseerde positie in zone 3; h) de som van de resterende niet gecompenseerde posities wordt bepaald; i) vervolgens wordt op basis van de berekeningen bedoeld onder d tot en met h, het kapitaalvereiste voor het algemeen risico van schuldinstrumenten berekend als de som van de onderstaande factoren:
- - 2% van de som van de gecompenseerde naar duration gewogen positie in elke zone zoals berekend onder e;
- - 40% van de gecompenseerde naar duration gewogen posities tussen de zone's 1 en 2, en tussen de zone's 2 en 3 zoals berekend onder f en g;
- - 100% van de resterende niet gecompenseerde naar duration gewogen posities zoals berekend onder h.
- 8 Voor een converteerbare obligatielening waarvan de conversiekoers lager is dan de koers van de onderliggende aandelen (in the money) en de delta groter is dan 0,5, zijn de kapitaalvereisten van toepassing zoals deze voor aandelen gelden.
- 9 Wanneer niet aan de twee voorwaarden zoals bedoeld onder 8 wordt voldaan, zijn met betrekking tot posities in converteerbare obligatieleningen de kapitaalvereisten van toepassing zoals deze voor schuldinstrumenten gelden.
- 10 Bij overname van emissies is het toegestaan, zowel bij emissies van aandelen als bij emissies van schuldinstrumenten, de in tabel 4 opgenomen verlaging toe te passen bij de berekening van de eigen netto positie die voortvloeit uit de emissie. Onder netto positie wordt in dit verband verstaan het verschil tussen de totaal overgenomen positie en de op grond van een overeenkomst bij derden geplaatste of door derden herovergenomen positie.
- 11 Nadat deze netto positie is verlaagd met het desbetreffende percentage uit tabel 4, wordt het kapitaalvereiste berekend conform de regels voor het positierisico van het betrokken instrument. Werkdag 0 is de werkdag waarop een onherroepelijke verbintenis is aangegaan tot aanvaarding van een bekend aantal effecten tegen een overeengekomen prijs. Als werkdag 0 wordt beschouwd:
- - met betrekking tot een obligatielening de eerste van de toewijzings- of de betalingsdatum;
- - met betrekking tot een aandelenemissie de eerste van de inschrijvingsdatum of de datum van aankondiging van de toewijzing.
- 12 Opties op aandelen, aandelenindices, schuldinstrumenten, financiële futures en valuta dienen met behulp van de delta van de desbetreffende optie te worden teruggerekend naar een positie in de onderliggende waarde (aantal contracten * handelseenheid * beurskoers * delta). Voor de berekening van het kapitaalvereiste wordt deze virtuele positie in de onderliggende waarde behandeld als een positie in de onderliggende waarde conform 2.3.2 en 2.3.3 voor zover de onderliggende waarde aandelen betreffen en conform 2.3.4 tot en met 2.3.7 in geval van schuldinstrumenten.
- 13 Indien de delta als bedoeld in 2.3.12 ter beschikking wordt gesteld door een effectenbeurs waar de optie wordt verhandeld, wordt deze delta gehanteerd bij de berekening van de omvang van de positie als bedoeld in 2.3.12.
- 14 Voor de posities in opties waarvoor geen delta wordt verstrekt, hanteert een effecteninstelling de formules zoals opgenomen in 2.8. Om de verkregen posities ten aanzien van short call opties en long put opties te kunnen hanteren, dient de berekende of verstrekte delta negatief te worden gelezen.
- 15 Ter dekking van de overige risico's verbonden aan opties geldt een kapitaalvereiste dat berekend wordt door de theoretische hoofdsom te vermenigvuldigen met het desbetreffende percentage in tabel 5.
- 16 Indien de optie niet wordt herrekend tot de onderliggende waarde conform 2.3.12, kan voor het kapitaalvereiste voor een geschreven optie worden volstaan met de marginvereiste zoals deze op de desbetreffende beurs van toepassing is, mits deze door de Bank is goedgekeurd, en voor een gekochte optie met de marktwaarde van de optie.
- 17 Voor zover een effecteninstelling eveneens is toegelaten tot een op grond van artikel 22 van de wet erkende effectenbeurs in de functie van market maker, kan het bedrag voor de overige risico's op opties gelijkgesteld worden aan het door die effectenbeurs berekende risico-bedrag ('haircut'), mits dit door de Bank is goedgekeurd.
- 18 Posities in warrants en gedekte warrants worden op dezelfde wijze behandeld als opties.
- 19 Voor het bepalen van het kapitaalvereiste voor aandelenindexfutures en de naar delta gewogen opties op deze futures kan worden gekozen uit de volgende twee methoden:
- a) als kapitaalvereiste wordt genomen de voor deze effecten de door een erkende effectenbeurs voor dat effect verlangde initiële margin;
- b) de aandelenindexfuture of de naar delta gewogen equivalenten van opties op aandelenindex-futures wordt opgesplitst in de daaraan ten grondslag liggende aandelen. De dan verkregen virtuele posities in aandelen worden behandeld conform 2.3.2. en 2.3.3. De keuze voor de methode moet duidelijk worden vermeld en consistent worden gebruikt. Verandering van de methode is slechts mogelijk na voorafgaande toestemming van de Bank.
- 20 Indien het praktisch niet mogelijk blijkt te zijn om de aandelenindexfuture om te rekenen naar de onderliggende waarde en indien er geen initiële margin beschikbaar is, wordt de aandelenindexfuture behandeld als een aandeel en wordt het kapitaalvereiste berekend conform 2.3.2 en 2.3.3. Wanneer het een future betreft op een ruim gediversificeerde index behoeft geen kapitaalvereiste te worden gehanteerd voor het specifiek risico.
- 21 Voor het bepalen van het kapitaalvereiste voor rentefutures kan worden gekozen uit de hieronder genoemde twee methoden. Voor het bepalen van het kapitaalvereiste voor rentetermijncontracten dient de methode vermeld onder b. te worden gehanteerd.
- a) als kapitaalvereiste wordt genomen de voor deze effecten de door een erkende effectenbeurs voor dat effect verlangde initiële margin;
- b) de rentefutures worden beschouwd als een combinatie van een lange en een korte positie in de onderliggende effecten. Daarbij wordt een lange positie in een rentefuture beschouwd als een vordering waarvan de vervaldatum gelijk is aan die van de onderliggende effecten en een schuld die vervalt op de leveringsdatum van de future en een korte positie in een rentefuture als een vordering waarvan de vervaldatum gelijk is aan die van de leveringsdatum van de future en een schuld waarvan de vervaldatum gelijk is aan die van de onderliggende effecten. De keuze voor de methode moet duidelijk worden vermeld en consistent worden gebruikt. Verandering van de methode is slechts mogelijk na voorafgaande toestemming van de Bank.
- 22 De in 2.3.21 verkregen posities worden berekend conform 2.3.4 tot en met 2.3.7, met dien verstande dat voor het specifiek risico de onderliggende posities worden ingevuld in de kolom 'centrale overheid'.
- 23 Ten aanzien van termijncontracten tot aan- en verkoop van schuldinstrumenten vindt eenzelfde berekening plaats als beschreven in 2.3.21, onder b, en 2.3.22. Afwijkend hiervan is dat de schuld dan wel vordering in het onderliggende instrument met betrekking tot het specifieke risico wordt ingevuld in de kolom van het desbetreffende effect. De schuld of vordering die vervalt op de leveringsdatum van de verbintenis wordt ten aanzien van het specifiek risico ingevuld in de kolom 'centrale overheid'.
- 24 Swaps worden ontleed in twee tegengestelde leden. Swaps worden met betrekking tot het renterisico op dezelfde basis behandeld als balansinstrumenten; een renteswap waarbij de effecteninstelling variabele rente ontvangt en vaste rente betaalt, wordt behandeld als een lange positie in een schuldinstrument met een variabele rente met een looptijd die gelijk is aan de periode tot de eerstvolgende rentevaststelling en een korte positie in een schuldinstrument met vaste rente en een looptijd die gelijk is aan de looptijd van een swap.
- 1 Het kapitaalvereiste ter dekking van het afwikkelings-, leverings- en tegenpartijrisico zoals hieronder berekend, is aanvullend ten opzichte van de kapitaalvereisten uit hoofde van het positierisico zoals berekend in 2.3.
- 2 Voor transacties die 5 dagen na de overeengekomen leveringsdatum nog niet zijn afgewikkeld wordt het prijsverschil berekend tussen de afwikkelingsprijs en de op moment van berekening geldende koers. Indien uit deze berekening een mogelijk negatief prijsverschil blijkt, wordt deze uitkomst ondergebracht in kolom 1 van tabel 6. Het kapitaalvereiste per transactie wordt berekend door het mogelijk negatief prijsverschil te vermenigvuldigen met het bijbehorende percentage uit kolom 2 van tabel 6.
- 3 Het totale kapitaalvereiste voor het afwikkelings-/leveringsrisico wordt berekend door de uitkomsten zoals verkregen onder 2.4.2 te sommeren.
- 4 Het kapitaalsvereiste voor leveringen zonder tegenprestaties (de effecteninstelling heeft betaald voor effecten alvorens ze te hebben ontvangen of effecten zijn geleverd alvorens daarvoor betaling te hebben ontvangen), bedraagt 8% van de marktwaarde van de aan de effecteninstelling verschuldigde effecten of contanten.
- 5 Een effecteninstelling voldoet aan de hieronder vermelde kapitaalvereiste indien zij partij is in een (omgekeerde) retrocessie overeenkomst dan wel een verstrekte of opgenomen effectenlening.
- 6 Het kapitaalvereiste van een retrocessie overeenkomst dan wel een verstrekte effectenlening bedraagt 8 % van het positieve verschil tussen de marktwaarde van die effecten vermenigvuldigd met 108% in geval van professionele tegenpartijen en 130% in geval van overige cliënten of tegenpartijen minus en de aan de effecteninstelling verstrekte gelden inclusief zekerheden gewaardeerd tegen marktwaarde.
- 7 Het kapitaalvereiste van een omgekeerde retrocessie overeenkomst dan wel van een opgenomen effectenlening, bedraagt 8% van het positieve verschil tussen de marktwaarde van die effecten vermenigvuldigd met 92% in geval van professionele tegenpartijen en 70% in geval van niet professionele cliënten of tegenpartijen minus de aan de leverende partij verstrekte gelden inclusief zekerheden gewaardeerd tegen marktwaarde.
- 8 Maandelijks wordt aan de Bank een overzicht verstrekt van (omgekeerde) retrocessie overeenkomsten en opgenomen dan wel verstrekte effectenleningen waarin zij partij is. Dit overzicht dient de posities per tegenpartij te bevatten.
- 9 Het kapitaalvereiste voor afgeleide OTC instrumenten, wordt berekend overeenkomstig de bepalingen in 2.4.10 tot en met 2.4.12. Gekochte OTC aandelenopties en gedekte warrants krijgen dezelfde behandeling als valutacontracten.
- 10 Rente- en valutacontracten worden gewaardeerd tegen marktwaarde (handelseenheid * marktprijs), waarbij wordt aangegeven wat de bron is van de gehanteerde marktwaarde.
- 11 Vervolgens worden de theoretische hoofdsommen (handelseenheid * uitoefenprijs dan wel contractgrootte) of waarden vermenigvuldigd met de percentages uit tabel 7.
- 12 Het kapitaalvereiste bedraagt 8 % van de som van de uitkomsten van de berekeningen conform 2.4.10 en 2.4.11.
- 1 De bewaking en beheersing van het risico verbonden aan grote posten en de berekening van het kapitaalvereiste ter dekking van het risico verbonden aan grote posten, zoals hieronder berekend, zijn aanvullend ten opzichte van de kapitaalvereisten uit hoofde van het positierisico zoals berekend in 2.3 en uit hoofde van het afwikkelings-, leverings- en tegenpartijrisico zoals berekend in 2.4. Bij de berekening van het toetsingsvermogen in 2.5.2, 2.5.4, 2.5.5, 2.5.7 en 2.5.9 worden in afwijking van de definitie van het toetsingsvermogen als bedoeld in Bijlage 1, de kort achtergestelde leningen van het toetsingsvermogen afgetrokken.
- 2 Een post wordt als grote post aangemerkt, indien de netto positie in effecten uitgegeven door één uitgevende instelling dan wel de netto positie van één cliënt of een groep van verbonden cliënten 10% of meer bedraagt van het toetsingsvermogen.
- 3 Ongedekte debetstanden van aandeelhouders, directie, personeel en gelieerde personen en rechtspersonen mogen in totaal niet meer bedragen dan 10% van het toetsingsvermogen.
- 4 Het is niet toegestaan een netto positie in effecten uitgegeven door één uitgevende instelling dan wel de netto positie van één cliënt of een groep van verbonden cliënten aan te houden groter dan 25% van het toetsingsvermogen, tenzij wordt voldaan aan de voorwaarden die staan vermeld in 2.5.7 tot en met 2.5.10. Deze overschrijding is alleen toegestaan voor het gedeelte van de grote post dat deel uitmaakt van de handelsportefeuille.
- 5 Het is niet toegestaan grote posten, zoals bedoeld in 2.5.2. aan te gaan waarvan de totale marktwaarde meer bedraagt dan 800% van het toetsingsvermogen.
- 6 Indien de overschrijding van de grenswaarden als bedoeld in 2.5.4 niet langer duurt dan 10 werkdagen mag deze positie per uitgevende instelling dan wel de totale netto positie van één cliënt of een groep van verbonden cliënten niet meer bedragen dan 500% van het toetsingsvermogen.
- 7 Bij overschrijdingen korter dan 10 werkdagen bedraagt het aanvullende kapitaalvereiste 200% van de som van de onder a en b berekende bedragen:
- a) het bedrag dat dient te worden aangehouden voor het specifiek risico, zoals berekend in 2.3 van deze bijlage, voor de positie waarvoor de regeling grote risico's van toepassing is.
- b) het bedrag dat dient te worden aangehouden voor het afwikkelings-, leverings- en/of tegenpartijrisico, voor het gedeelte dat de grenswaarde uit 2.5.4 overschrijdt, zoals berekend in 2.4.
- 8 Indien de overschrijding van de grenswaarden als bedoeld in 2.5.4 langer duurt dan 10 werkdagen dan mag het totaal van deze overschrijdingen niet hoger zijn dan 600% van het toetsingsvermogen.
- 9 Het aanvullende kapitaalvereiste voor overschrijdingen langer dan 10 werkdagen wordt als volgt berekend:
- a) het bedrag van de overschrijding van de grenswaarden wordt ondergebracht in tabel 8, kolom 1;
- b) per verkregen waarde in kolom 1 van tabel 8 worden in overeenstemming met 2.5.7 de eisen voor zowel het specifiek risico als het afwikkelings-, leverings- en tegenpartijrisico berekend. Vervolgens wordt de som van deze kapitaalvereisten vermenigvuldigd met de bijbehorende factor uit kolom 2 van tabel 8. De uitkomsten van deze vermenigvuldigingen dienen te worden getotaliseerd teneinde de omvang van het aanvullende kapitaalvereiste vast te stellen.
- 1 Het kapitaalvereiste ter dekking van het valutarisico voor het gehele bedrijf, zoals hieronder berekend, is aanvullend ten opzichte van de kapitaalvereisten zoals berekend in 2.3, 2.4 en 2.5.
- 2 Per vreemde valuta wordt de netto positie in die valuta bepaald, waarbij de netto positie is opgebouwd uit de volgende elementen: Teneinde de netto positie per valuta te berekenen, wordt de som van de elementen a., b., en c. genomen, waarop element d. in mindering wordt gebracht en tenslotte element e. wordt opgeteld in geval van een te ontvangen bedrag of in mindering wordt gebracht in geval van een te betalen bedrag. Valutaposities, welke volledig zijn afgedekt voor het valutarisico, mogen buiten de berekening worden gehouden van de netto positie in de desbetreffende valuta.
- a) alle activa luidend in de betrokken valuta;
- b) onherroepelijke garanties die zeker zullen worden opgevraagd;
- c) de netto delta equivalent van opties met de betrokken valuta als onderliggende waarde, hetgeen een negatief bedrag kan zijn;
- d) alle passiva luidend in de betrokken valuta;
- e) het netto te ontvangen bedrag uit hoofde van een lange positie (per saldo) in termijncontracten respectievelijk het netto te betalen bedrag uit hoofde van een korte positie (per saldo) in termijncontracten.
- 3 De in 2.6.2 berekende netto posities worden omgerekend naar rapportagevaluta (tegen dagkoers).
- 4 Vervolgens wordt de totale netto positie in vreemde valuta bepaald door alle netto korte posities en alle netto lange posities bij elkaar op te tellen, hetgeen resulteert in de totale netto valutapositie. Het kapitaalvereiste voor het valutarisico bedraagt 8% van deze totale netto positie.
- 1 In aanvulling op de voorgaande kapitaalvereisten wordt voldaan aan de kapitaalvereisten voor alle nog niet in deze bijlage behandelde activa, zoals hieronder berekend.
- 2 In het geval dat een effecteninstelling een beleggingsportefeuille aanhoudt wordt het kapitaalvereiste voor deze portefeuille berekend door de totale bruto positie, waaronder voor deze bepaling wordt verstaan de som van de netto lange en de netto korte posities, te vermenigvuldigen met 8%.
- 3 Ten aanzien van vorderingen uit hoofde van effectentransacties berekent een effecteninstelling het kapitaalvereiste als volgt. Een effecteninstelling bepaalt per debiteur het nettobedrag van de vorderingen, dat wil zeggen het bedrag van de vorderingen per debiteur verminderd met de per debiteur eventueel getroffen voorzieningen (bijvoorbeeld margin-stortingen). Dit nettobedrag dient als basis voor de berekening van het kapitaalvereiste en wordt met de onderstaande percentages vermenigvuldigd teneinde tot het kapitaalvereiste voor vorderingen te komen:
- a) vorderingen op centrale overheden en centrale banken van Zone A: 0%;
- b) vordering op professionele cliënten als bedoeld in artikel 43 (waaronder begrepen clearing-huizen en clearingmembers van beurzen): 0,8%;
- c) overige vorderingen: 4%.
- 4 Voor ongedekte korte posities van cliënten wordt een 100% kapitaalvereiste geëist ter grootte van de onderdekking ten opzichte van de onder a. en b. genoemde zekerheden:
- a) de omvang van de door de desbetreffende effectenbeurs vereiste margin wanneer het afgeleide instrumenten betreft;
- b) 110% van de marktwaarde in geval het staatsobligaties betreft en 130% van de marktwaarde in geval het aandelen en overige obligaties betreft.
- 5 De effecteninstelling voldoet aan kapitaalvereisten voor de volgende overige activa die als volgt worden berekend:
- - het door hypotheek gedekte deel van de materiële vaste activa: 4%;
- - dubieuze vorderingen: 100% van de dubieuze vorderingen, verminderd met eventueel getroffen voorzieningen;
- - debetstanden aandeelhouders, directie, personeel en gelieerde personen en rechtspersonen: 100% van het ongedekte gedeelte van deze debetstanden;
- - overige debiteuren, verminderd met eventueel getroffen voorzieningen en verminderd met de netto vorderingen op overheden: 8%;
- - liquide middelen: 0%;
- - overige activaposten, uitgezonderd de activaposten die reeds in mindering zijn gebracht op het toetsingsvermogen: 8%.
- 6 Een effecteninstelling voldoet aan de kapitaalvereisten voor verplichtingen buiten de balans die worden berekend met behulp van onderstaande tabel: Huur/lease : 0% Garanties : 8% Voorwaardelijke verplichtingen : 8% Claims : 30% Overig : 8%
- 1 De call optie De delta van de call optie wordt met behulp van onderstaande formules berekend. Deze formules zijn gebaseerd op de modellen van Black & Scholes. Hierbij is: C = de theoretische waarde van de call optie; S = de koers van de onderliggende waarde; Di = dividenduitkering op het aandeel op tijdstip i; n = het aantal dividenduitkeringen op het aandeel voor de afloopdatum van de optie; E = de uitoefenprijs van de optie; e = het basisgetal van de natuurlijke logaritme, zijnde het getal 2,7182818; t = de looptijd van de optie; r = de financieringsrente op de noteringsvaluta; Ti = de tijd die verstrijkt tussen dag van berekening en de dividenddatum i van het aandeel uitgedrukt in fracties van een jaar; N(d1) = een waarschijnlijkheidsmaatstaf, waarvan de berekeningswijze later volgt; N(d2) = een waarschijnlijkheidsmaatstaf, waarvan de berekeningswijze later volgt. Teneinde de waarden voor N(d1) en N(d2) te kunnen bepalen dienen de d1 en de d2 als volgt te worden berekend: Bij de berekening van de waarden voor de d1 en de d2 wordt gebruik gemaakt van de volgende formule voor de volatility: X = gemiddelde van de waarnemingen (slotkoersen); St = slotkoers onderliggende waarde op handelsdag t; N = aantal waarnemingen. De formule voor de berekening van de N(d) luidt als volgt: Hierbij is: Obligatie-opties Hierbij is: D = couponrendement van de obligatie, en Voor de overige verklaringen en formules zie bij aandelenopties. waarbij: Wi = wegingsfactor van aandeel i in de index, en Voor de overige verklaringen en formules zie bij aandelenopties. waarbij: R = de geldmarktrente op de onderliggende valuta, en Voor de overige verklaringen en formules zie bij aandelenopties. Voor deze opties kan de formule voor aandelenopties worden gebruikt. waarbij: F = futureprijs van een afrekeningsmaand, en Voor de overige verklaringen en formules zie bij aandelenopties.
- 2 De delta van een put-optie wordt berekend volgens de volgende formule: [N(d1) - 1].