Art. 5 Jachtregeling, Eisen jachtexamens

Jachtregeling

1. Het theoretische gedeelte van het jachtexamen voor de jacht met één of meer jachtvogels bevat:

a. ten minste 40 meerkeuzevragen waarin de kennis, bedoeld in artikel 6, derde lid, van het Jachtbesluit, wordt getoetst, waarvan:

15 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel a tot en met c, van het Jachtbesluit;

5 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel e, van het Jachtbesluit;

10 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel g en h, van het Jachtbesluit;

5 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel j, van het Jachtbesluit;

5 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel k en l, van het Jachtbesluit en

b. ten minste 20 meerkeuzevragen, gesteld naar aanleiding van dia- of filmbeelden of andere beelddragers waarin de kennis, bedoeld in artikel 6, derde lid, van het Jachtbesluit, wordt getoetst, waarvan:

10 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel a en b, van het Jachtbesluit en

10 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel c, e, g, h, j, k en l, van het Jachtbesluit.

2. Van de vragen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a en b, dient ten minste 70% goed te zijn beantwoord.

3. Het praktische gedeelte van het jachtexamen voor de jacht met een jachtvogel omvat twee stages van een jaar bij twee door een in artikel 7 bedoelde organisatie aangewezen mentoren. Bij de beoordeling van de stages wordt getoetst of voldoende bekwaamheid is verworven ten aanzien van:

omgang met jachtvogels;

dragen en zeeg maken van jachtvogels;

verzorging van jachtvogels;

aanleggen van tuig;

doden van prooien en slachten van aasdieren;

aanleren van gewenst gedrag van jachtvogels;

voorkomen en afleren van ongewenst gedrag van jachtvogels;

zoeken en terugvangen van verloren jachtvogels;

beoordelen van de inzetbaarheid van jachtvogels;

toepassen van fretten en

gebruik van fluit, loer en balg.