Bijlage 2 Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving
Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving
In de lijst van ernstige overtredingen waarvoor een bestuurlijke boete kan worden gegeven (voorts: ernstige beboetbare feiten) zijn werkzaamheden en situaties benoemd die ernstig gevaar (kunnen) opleveren voor personen. Indien een dergelijke werkzaamheid of situatie wordt geconstateerd, dan zal indien er sprake is van ernstig gevaar voor personen worden overgegaan tot stillegging van werk zoals bedoeld in artikel 28 van de Arbeidsomstandighedenwet. Volgens artikel 28 is de Arbeidsinspectie bevoegd te bevelen dat: indien naar zijn of haar redelijk oordeel dat verblijf of die werkzaamheden ernstig gevaar opleveren voor personen. Een inspecteur zal dit bevel pas intrekken als dit gevaar is weggenomen. De omschrijvingen in de lijst zijn een verbijzondering van het onderliggende artikel uit de Arbeidsomstandighedenwet, het Arbeidsomstandighedenbesluit, of de Arbeidsomstandighedenregeling. Ze moeten dan ook in het licht daarvan worden bezien. De formuleringen zijn over het algemeen in een directe actieve vorm gesteld, zoals: ‘het werken op ..., het gebruiken van ... en het blootstellen aan ....’. Indien de ernstige beboetbare feiten zoals geformuleerd ook daadwerkelijk door een inspecteur worden geconstateerd, dan is er sprake van ‘heterdaad’. Behalve het geven van een bevel tot stillegging, zegt de inspecteur direct een boete aan. Wanneer er geen sprake is van heterdaad, maar wel bewezen kan worden dat er sprake was van een situatie zoals beschreven in de lijst (op basis van getuigenverklaringen en onderzoek), wordt eveneens ook een boete aangezegd. Treft de inspecteur situaties aan die naar zijn redelijk oordeel zouden kunnen leiden tot ernstige feiten zoals geformuleerd in de lijst, terwijl er op het moment van constateren niet wordt gewerkt, dan is deze bevoegd om op basis van artikel 28 van de Arbeidsomstandighedenwet te bevelen dat werkzaamheden niet mogen worden aangevangen zolang het potentiële gevaar aanwezig is. In dergelijke situaties wordt echter geen boete aa
- – personen niet mogen blijven in door de inspecteur aangewezen plaatsen, of dat
- – door de inspecteur aangewezen werkzaamheden worden gestaakt,
- a. de ter beschikking gestelde persoonlijke beschermingsmiddelen en hulpmiddelen niet overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften gebruikt en zindelijk houdt (zie artikel 9.3, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, juncto artikel 11, aanhef en onder a en b, van de Arbeidsomstandighedenwet, of
- b. op de hoogte was van de betreffende voorschriften en verboden en deze niet naleeft (zie artikel 9.3, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit).
- a. de ontsteking van explosieve atmosferen wordt voorkomen, waarbij rekening wordt gehouden met elektrostatische ontladingen die van werknemers of de arbeidsplaats als ladingsdrager of ladingsproducent kunnen uitgaan;
- b. de schadelijke gevolgen van een explosie worden beperkt;
- a. vrijkomende gassen, dampen, nevels of brandbaar stof die explosiegevaar kunnen doen ontstaan, worden op passende wijze afgevoerd en onschadelijk gemaakt;
- b. indien een explosieve atmosfeer meerdere soorten brandbare stoffen bevat, wordt bij de veiligheidsmaatregelen uitgegaan van het grootste mogelijke risico;
- 1°. gevarenzone 0 of 20: categorie 1-apparatuur;
- 2°. gevarenzone 1 of 21: categorie 1- of categorie 2-apparatuur;
- 3°. gevarenzone 2 of 22: categorie 1-, categorie 2- of categorie 3-apparatuur;
- a. het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen van bouwwerken, met uitzondering van grondwerken, of objecten waarin asbest of asbesthoudende producten is respectievelijk zijn verwerkt;
- b. het verwijderen van asbest of asbesthoudende producten uit de bouwwerken of objecten, bedoeld in onderdeel a;
- c. het opruimen van asbest of asbesthoudende producten die ten gevolge van een incident zijn vrijgekomen.
- a. de arbeidsmiddelen niet zijn afgestemd op de aard van de te verrichten werkzaamheden en op de voorzienbare belastingen en dat de arbeidsmiddelen niet zodanig zijn dat zonder gevaar doorgang mogelijk is; of
- b. het gekozen toegangsmiddel niet de mogelijkheid van ontruiming biedt bij dreigend gevaar; of
- c. het overstappen van een toegangsmiddel op platformen, vloeren of loopbruggen en omgekeerd extra valrisico’s oplevert. (artikel 7.23, lid 1, Arbobesluit)
- a. wegglijden van de ladder- of trapvoet door een voorziening is voorkomen;
- b. toegangsladders bij overigens ontbrekende veilige houvast niet ten minste 1 meter uitsteken boven het toegangsniveau;
- c. de onderdelen van meerdelige (schuif)ladders ten opzichte van elkaar geborgd zijn;
- d. verrolbare ladders en trappen zijn vastgezet voor het betreden.