Bijlage 1 Investeringsregeling biologische varkenshouderij: controleprotocol als bedoeld in artikel 13, derde lid, van de Investeringsregeling biologische varkenshouderij
Investeringsregeling biologische varkenshouderij
Bij de controle, op basis waarvan de rapportage bedoeld in tweede lid van artikel 13 plaatsvindt, dient aan de naleving van de volgende artikelen op de daarbij aangegeven wijze aandacht te worden besteed. Artikel Soort aandacht artikel 5, eerste lid speciale aandacht artikel 5, tweede lid speciale aandacht artikel 5, derde lid speciale aandacht artikel 6 normale aandacht artikel 7, derde lid speciale aandacht artikel 11, eerste lid speciale aandacht artikel 11, derde lid speciale aandacht artikel 12 speciale aandacht artikel 13, lid 2c normale aandacht Artikel 5, eerste lid: Vaststellen dat de aanvrager de eerste gebruiker is van de investeringen en dat de investeringen gericht zijn op het houden van varkens volgens de normen van de biologische productiemethode en in overeenstemming met de voorschriften van Stichting Skal. Artikel 5, tweede lid: Vaststellen of de investeringen dienen ter vervanging van productiemiddelen die reeds het eigendom zijn van de aanvrager. Artikel 5, derde lid: Vaststellen dat met de uitvoering van de investeringen, inclusief het aangaan van verplichtingen, geen aanvang is gemaakt voordat de ontvangst van de aanvraag tot subsidieverlening schriftelijk is bevestigd. Artikel 6: Vaststellen dat de voor de subsidievaststelling opgevoerde kosten daadwerkelijk zijn betaald en zijn toe te rekenen aan de onderdelen van het investeringsproject waarop de beschikking tot subsidieverlening betrekking heeft. Voorts het vaststellen dat de kosten uitsluitend betrekking hebben op aangeschafte machines en apparatuur, gebaseerd op historische aanschafprijzen, kosten van de bouw van onroerende zaken en algemene kosten voor architecten, ingenieurs en adviseurs en installatiekosten. Artikel 7, derde lid: Vaststellen dat het totale subsidiebedrag, inclusief subsidie uit anderen hoofde en ander geldelijk voordeel van overheidswege voor de subsidiabele investeringen of een gedeelte daarvan, niet meer bedraagt dan 40% van de subsidiabele kosten. Artikel 11, eerste