Bijlage 2 Bvim: behorende bij het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer
Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer (Bvim)
In deze bijlage wordt verstaan onder: algemeen: met betrekking tot geluid: met betrekking tot trilling: – trillingsterkte: de effectieve waarde van de gewogen trillinggrootheid, gemeten en beoordeeld overeenkomstig de meet- en beoordelingsrichtlijn Richtlijn 2 «Hinder voor personen in gebouwen door trillingen» uitgave 1993 van de Stichting Bouwresearch Rotterdam (SBR); met betrekking tot veiligheid: met betrekking tot de bescherming van de bodem: – NRB: Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten, Informatiecentrum Milieuvergunningen, uitgave 1997. 1.1.1 Voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr, LT) en het piekniveau (LAmax), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten, geldt dat: 1.1.2 Trillingen, veroorzaakt door de tot de inrichting behorende installaties of toestellen, alsmede de tot de inrichting toe te rekenen werkzaamheden of andere activiteiten, bedragen in woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen niet meer dan de trillingsterkte zoals te bepalen volgens tabel 3 van de Richtlijn 2 «Hinder voor personen in gebouwen door trillingen», uitgave 1993 van de Stichting Bouwresearch Rotterdam, voor de gebouwfunctie wonen. De waarden gelden niet voorzover de gebruiker van een woning of andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van trillingmetingen. 1.1.3 In gevallen waarin op de inrichting voorschrift 6.2 van bijlage 1 van het Besluit riool- en poldergemalen milieubeheer, onderscheidenlijk voorschrift 4.2 van bijlage 1 van het Besluit gasdrukregel- en meetstations milieubeheer van toepassing was, worden de waarden van de geluidniveaus ter plaatse van woningen in de tabel van voorschrift 1.1.1 met 5 dB(A) verhoogd. De eerste volzin is niet van toepassing indien lagere waarden waren vastgesteld in de vergun
- – elektrische en elektronische apparatuur: elektrische en elektronische apparatuur als bedoeld in artikel 1 van het Besluit beheer elektrische en elektronische apparatuur;
- – categorie van gevaarlijke afvalstoffen: categorie van gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld in de Regeling scheiden en gescheiden houden van gevaarlijke afvalstoffen;
- – geluidniveau: niveau van het ter plaatse optredende geluid, uitgedrukt in dB(A), overeenkomstig de door de Internationale Electrotechnische Commissie (IEC) opgestelde regels, zoals neergelegd in de IEC-publicatie nr. 651, uitgave 1979;
- – langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr, LT): gemiddelde van de afwisselende niveaus van het ter plaatse optredende geluid, gemeten in de loop van een bepaalde periode en vastgesteld en beoordeeld overeenkomstig de «Handleiding meten en rekenen industrielawaai», uitgave 1999;
- – CPR 9–6: Richtlijn 9–6 van de CPR, getiteld «Vloeibare aardolieprodukten, Opslag tot 150 m3 van brandbare vloeistoffen met een vlampunt van 55 tot 100 graden C in bovengrondse tanks», tweede druk 1999;
- – CPR 15–1: Richtlijn 15–1 van de CPR, getiteld «Opslag gevaarlijke stoffen in emballage; Opslag van vloeistoffen en vaste stoffen (0 ton tot 10 ton)», tweede druk, uitgave 1994;
- – veiligheidsinformatieblad: een veiligheidsinformatieblad als bedoeld in artikel 31 van de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen;
- a. de niveaus in op de in de tabel I genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden;
- b. de in de periode tussen 07:00 uur en 19:00 uur ingevolge tabel I opgenomen piekniveaus (LAmax) niet van toepassing zijn op het laden en lossen;
- c. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige woningen niet gelden voorzover de gebruiker van een woning geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidmetingen, en
- d. de in de tabel aangegeven waarden voor woningen ook gelden voor andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen.
- a. het in dat gebied heersende geluidniveau niet overschrijden, en
- b. binnen een woning op de volgende tijdstippen niet meer bedragen dan de in tabel II aangegeven waarden.
- a. treft maatregelen of voorzieningen die ertoe bijdragen dat binnen de inrichting het ontstaan van afvalstoffen wordt voorkomen of beperkt en
- b. geeft op verzoek van het bevoegd gezag aan welke maatregelen of voorzieningen hij heeft getroffen of zal treffen.
- a. papier- en kartonafval;
- b. kunststofafval;
- c. elektrische en elektronische apparatuur en
- d. glasafval.
- a. bedrijfsafvalstoffen bevat, die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen,
- b. bedrijfsafvalstoffen bevat, waarvan kan worden voorkomen dat ze in het bedrijfsafvalwater terechtkomen,
- c. een gevaarlijke afvalstof is of bevat waarvan kan worden voorkomen dat deze in de riolering terechtkomt, of
- d. stankoverlast buiten de inrichting veroorzaakt.
- a. belemmert niet de doelmatige werking:
- 1°. van dat riool;
- 2°. van een door een bestuursorgaan beheerd zuiveringstechnisch werk, noch
- 3°. van de apparatuur die behoort bij een zodanig openbaar riool of zuiveringstechnisch werk;
- b. belemmert niet de verwerking van slib, verwijderd uit een openbaar riool of een door een bestuursorgaan beheer zuiveringstechnisch werk en
- c. heeft geen of zo beperkt mogelijke nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater.
- a. goedgekeurd door een door Onze Minister wie het aangaat aangewezen instantie of een ten minste gelijkwaardige instelling, dan wel door een dergelijke instelling erkende deskundige welke goedkeuring blijkt uit de op de gasfles ingeponste datum;
- b. zodanig opgesteld dat zij tegen omvallen en aanrijden zijn beschermd, steeds gemakkelijk bereikbaar zijn en niet in de onmiddellijke nabijheid van brandgevaarlijke stoffen staan;
- c. voorzover zij een brandbare inhoud hebben, zodanig opgeslagen dat zij zijn afgescheiden van flessen met brandbevorderende dan wel oxiderende stoffen welke afscheiding geschiedt door middel van een zodanige scheidingswand dat een WBDBO van ten minste 60 minuten tussen beiden ruimten wordt bereikt, dan wel door middel van het aanhouden van een afstand van ten minste 3 m tussen de verschillende gasflessen en flessen met brandbevorderende dan wel oxiderende gassen;
- d. zodanig opgesteld dat uitstromend gas zich niet in een lager gelegen ruimte of in een riolering kan verzamelen, en
- e. voorzover, met uitzondering van op een laskar geplaatste flessen, aan apparatuur gebonden gasflessen dan wel anderszins in gebruik zijnde gasflessen, meer dan 115 liter waterinhoud aan gassen in flessen aanwezig is, opgeslagen in een speciaal hiervoor bestemde kast, kluis, opslaggebouw of buitenopslag; deze opslagplaats is uitgevoerd overeenkomstig de eisen voor gevaarlijke stoffen die hiervoor zijn gesteld in CPR 15–1, met uitzondering van paragraaf 10.3 van CPR 15–1, waarbij een buitenopslag als een vatenpark moet worden gezien; een opslagplaats voor gassen is niet voor onbevoegden toegankelijk.
- a. direct voor of na binnenkomst van de leiding in een gebouw,
- b. aan het einde van elke aftakking van een vaste leiding naar een gebruikstoestel,
- c. in de leidingen op plaatsen waar de leiding geheel of gedeeltelijk kan worden gespoeld met een inert gas, en
- d. zodanig dat zij onder alle omstandigheden te bedienen zijn.
- a. worden geen gevaarlijke vloeibare stoffen of gevaarlijke vloeibare afvalstoffen in tanks opgeslagen, tenzij opslag plaatsvindt, waarop het Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998 van toepassing is of opslag plaatsvindt overeenkomstig voorschrift 2.1.4 of 2.1.5;
- b. worden geen gassen of gasmengsels in tanks opgeslagen, tenzij opslag plaatsvindt waarop hoofdstuk 8 van bijlage 1 van toepassing is.
- a. de resultaten van geluidmetingen en eventuele andere emissiemetingen en het op basis van voorschrift 4.3.1 verrichte onderzoek naar de mogelijkheden tot beperking van het ontstaan van afvalstoffen;
- b. periodieke inspecties van vloeistofdichte vloeren of voorzieningen;
- c. onderhoudscontracten met betrekking tot in de inrichting aanwezige installaties;
- d. certificaten of bewijzen van:
- 1°. de installatie van tanks, filters en andere voorzieningen;
- 2°. onderhoud of keuringen van de in de inrichting aanwezige voorzieningen en installaties;
- e. jaarlijkse overzichten van nutsbedrijven van het verbruik van gas, water en elektriciteit;
- f. de veiligheidsinformatiebladen die behoren bij de in de inrichting aanwezige gevaarlijke stoffen;
- g. afgiftebewijzen van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen;
- h. een uittreksel van de inschrijving in het handelsregister.
- a. het doen van onderzoek naar de mogelijkheden tot het treffen van maatregelen of voorzieningen ten behoeve van het voorkomen of het beperken van het ontstaan van afvalstoffen binnen de inrichting, voorzover maatregelen of voorzieningen onvoldoende bekend zijn, of
- b. de ten behoeve van het voorkomen of het beperken van het ontstaan van afvalstoffen binnen de inrichting te treffen maatregelen of voorzieningen, bedoeld in voorschrift 1.3.1.
- a. het doen van een onderzoek vóór de inrichting in werking is (nulsituatie-onderzoek), of het doen van een onderzoek, binnen acht weken na de beëindiging van de activiteiten in de inrichting (eindsituatie-onderzoek), naar de stoffen die door de werkzaamheden van de inrichting ter plaatse een bedreiging van de bodemkwaliteit vormen, en
- b. het rapporteren van de resultaten van de onder a genoemde onderzoeken.