Art. 8 Mlk, Monsterneming
Meetregeling luchtkwaliteit (Mlk)
Monsterneming bij de in de artikelen 6 en 7 bedoelde meetpunten gebeurt zodanig dat:
a. de lucht rond de inlaatbuis vrij kan stromen en er geen voorwerpen zijn die de luchtstroom in de omgeving van de monsternemer beïnvloeden;
b. de hoogte van de inlaatbuis tussen 1,5 en 4 meter boven de grond ligt;
c. de inlaatbuizen niet te dicht in de omgeving van bronnen zijn gesitueerd om te voorkomen dat de uitstoot daarvan rechtstreeks en zonder menging met de buitenlucht in de inlaatbuis terechtkomt;
d. de uitlaatbuizen op een zodanige plaats zijn gesitueerd dat de lucht daaruit niet opnieuw in de inlaatbuis kan komen.