Art. 7 Verordening Uitvoering Fokkerijbesluit 2001

Verordening Uitvoering Fokkerijbesluit 2001

1. Het verrichten van werkzaamheden die noodzakelijk zijn voor: wordt opgedragen aan de voorzitter.

a. het verlenen van de erkenning als een instelling die één of meer stamboeken of registers voor paardachtigen bijhoudt op grond van artikel 3 van het Fokkerijbesluit;

b. de intrekking van de in onderdeel a) bedoelde erkenning op grond van artikel 5 van het Fokkerijbesluit;

c. de uitvoering van artikel 2 van het Fokkerijbesluit, voorzover dit betrekking heeft op het prestatie-onderzoek en de beoordeling van genetische waarden bij paardachtigen alsmede het verlenen en het intrekken van de in artikel 2, tweede lid, van deze verordening bedoelde erkenning;

2. De advisering van de voorzitter, bedoeld in artikel 3, wordt, voorzover deze betrekking heeft op paardachtigen, opgedragen aan de Interim-Commissie paardenhouderij.

3. De Interim-Commissie paardenhouderij is bevoegd uit haar midden een subcommissie te benoemen, en hieraan één of meer externe deskundigen toe te voegen.

4. De Interim-Commissie paardenhouderij is bevoegd de advisering, zoals bedoeld in het tweede lid, op te dragen aan de in het derde lid bedoelde subcommissie.