Art. 3 Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Gemeentelijk Havenbedrijf Amsterdam 2001

Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Gemeentelijk Havenbedrijf Amsterdam 2001

1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de feiten strafbaar gesteld bij of krachtens: a) de Scheepvaartverkeerswet, doch uitgezonderd de feiten genoemd in paragraaf 3 van Hoofdstuk 2 van voornoemde wet en onder de restrictie dat de op deze wet gebaseerde opsporingsbevoegdheid beperkt blijft tot daarin genoemde feiten die geen misdrijf zijn; de als overtredingen strafbaar gestelde feiten uit het Binnenvaartpolitiereglement; b) de Wet Verontreiniging Oppervlaktewateren in verband met artikel 4, eerste lid van het Uitvoeringsbesluit, artikel 1, derde lid, van voornoemde wet; c) de Verordening op de haven en het binnenwater en/of andere verordeningen, voor zover de functionarissen, als bedoeld in artikel 2 van dit besluit, daarvoor door het bevoegde bestuursorgaan is aangewezen; d) de Wet op de economische delicten, voor zover het economische delicten betreft waarvoor in dit besluit en binnen de op grond van dit besluit uit te vaardigen `akten' opsporingsbevoegdheid is verleend.

2. De opsporingsbevoegdheid geldt voor het onder beheersverantwoordelijkheid van het Gemeentelijk Havenbedrijf Amsterdam vallend grondgebied.