Bijlage 1 Btex: behorende bij het Besluit textielreinigingsbedrijven milieubeheer
Besluit textielreinigingsbedrijven milieubeheer (Btex)
In deze bijlage wordt verstaan onder: 1.1.1 Voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) en het piekniveau (LAmax), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten, geldt dat: a. de niveaus op de in tabel 1 genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden; 07:00–19:00 uur 19:00–23:00 uur 23:00–07:00 uur LAr,LT op de gevel van woningen 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A) LAr,LT in in- en aanpandige woning 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) LAmax op de gevel van woningen 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) LAmax in in- en aanpandige woning 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) b. de in de periode tussen 07.00 uur en 19.00 uur in tabel I opgenomen piekniveaus niet van toepassing zijn op het laden en lossen; c. de in tabel I aangegeven waarden binnen in- of aanpandige woningen niet gelden indien de gebruiker van deze woningen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidmetingen, en d. de in tabel I aangegeven waarden voor woningen ook gelden voor andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen. 1.1.2 Trillingen, veroorzaakt door de tot de inrichting behorende installaties of toestellen, alsmede de tot de inrichting toe te rekenen werkzaamheden of andere activiteiten, bedragen in woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen niet meer dan de trillingsterkte zoals te bepalen volgens tabel 3 van de Richtlijn 2 «Hinder voor personen in gebouwen door trillingen» uitgave 1993 van de Stichting Bouwresearch Rotterdam, voor de gebouwfunctie wonen. De waarden gelden niet indien de gebruiker van deze woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van trillingmetingen. 1.1.3 In gevallen waarin op de inrichting voorschrift 7.2 van bijlage 1 van het Besluit chemische wasserijen milieu
- algemeen: – NEN: een door het Nederlands Normalisatie Instituut (NNI) uitgegeven norm; – ten minste gelijkwaardige instelling: instelling in een andere lidstaat van de Europese Unie, in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of in een andere staat waarmee de Europese Unie een wederzijdse erkenningsovereenkomst met betrekking tot het in het voorschrift bedoelde onderwerp heeft afgesloten; – PER: tetrachlooretheen; – R113: 1,1,2-trichloorethaan en 1,2,2-trifluorethaan; – regenereren: tot een standaardkwaliteit opwerken of voor hergebruik geschikt maken van stoffen of preparaten die door terugwinning en inzameling uit installaties, apparaturen of producten zijn verkregen; – vluchtige organische stof: organische stof die bij een temperatuur van 293,15 K een dampspanning heeft van 10 Pa (0,1 mbar) of meer, of die onder specifieke gebruiksomstandigheden een vergelijkbare vluchtigheid heeft; – elektrische en elektronische apparatuur: elektrische en elektronische apparatuur als bedoeld in artikel 1 van het Besluit beheer elektrische en elektronische apparatuur; – categorie van gevaarlijke afvalstoffen: categorie van gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld in de Regeling scheiden en gescheiden houden van gevaarlijke afvalstoffen;
- met betrekking tot geluid en trilling: – andere geluidsgevoelige gebouwen: andere geluidsgevoelige gebouwen als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder; – langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT): gemiddelde van de afwisselende niveaus van het ter plaatse optredende geluid, gemeten in de loop van een bepaalde periode en vastgesteld en beoordeeld overeenkomstig de «Handleiding meten en rekenen industrielawaai», uitgave 1999; geluidsgevoelige terreinen: geluidsgevoelige terreinen als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder; – geluidniveau: niveau van het ter plaatse optredende geluid, uitgedrukt in dB(A), overeenkomstig de door de Internationale Electrotechnische Commissie (IEC) opgestelde regels, zoals neergelegd in de IEC-publicatie nr. 651, uitgave 1979; – piekniveau (LAmax): maximaal geluidniveau, gemeten in de meterstand« F» of «fast»; – trillingsterkte: de effectieve waarde van de gewogen trillingsgrootheid, gemeten en beoordeeld overeenkomstig de meeten beoordelingsrichtlijn Richtlijn 2 «Hinder voor personen in gebouwen door trillingen» uitgave 1993 van de Stichting Bouwresearch Rotterdam (SBR);
- met betrekking tot veiligheid: – CPR: Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen; – CPR 15–1: Richtlijn 15–1 van de CPR, getiteld «Opslag van gevaarlijke stoffen in emballage; Opslag van vloeistoffen en vaste stoffen (0 tot 10 ton)», tweede druk, uitgave 1994; – CPR 3: Richtlijn CPR 3 van de CPR, getiteld «Opslag van organische peroxiden», tweede druk, uitgave 1997; – zeer licht ontvlambare stof: stof of preparaat in vloeibare toestand (K0-vloeistof) met een vlampunt van minder dan 0 °C en een kookpunt van 35 °C of minder, alsmede gasvormige stof die, of gasvormig preparaat dat, bij normale temperatuur en druk aan de lucht blootgesteld, kan ontbranden; – licht ontvlambare stof: stof die of preparaat dat: – ontvlambare stof: stof of preparaat in vloeibare toestand met een vlampunt van ten minste 21 °C en ten hoogste 55 °C; – brandbare vloeistof: stof in vloeibare toestand die een vlampunt heeft dat hoger ligt dan 55 °C; – veiligheidsinformatieblad: een veiligheidsinformatieblad als bedoeld in artikel 31 van de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen;
- a. bij normale temperatuur aan de lucht blootgesteld, zonder toevoer van energie in temperatuur kan stijgen en ten slotte ontbranden;
- b. in vaste toestand, door kortstondige inwerking van een ontstekingsbron, gemakkelijk kan worden ontstoken en na verwijdering van de ontstekingsbron blijft branden of gloeien;
- c. in vloeibare toestand een vlampunt beneden 21 °C heeft (K1-vloeistof);
- d. in gasvormige toestand, bij normale druk, met lucht ontvlambaar is, of
- e. bij aanraking met water of vochtige lucht, licht ontvlambare gassen in een gevaarlijke hoeveelheid ontwikkelt;
- met betrekking tot lozingen: – bedrijfsriolering: voorziening voor de afvoer van bedrijfsafvalwater vanuit de inrichting naar een openbaar riool of naar een andere voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater; – openbaar riool: gemeentelijke voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater; – riolering: bedrijfsriolering of voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater;
- met betrekking tot de bescherming van de bodem: – NRB: Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten, Informatiecentrum Milieuvergunningen; – CUR/PBV: Stichting civieltechnisch centrum uitvoering, research en regelgeving/projectbureau Plan Bodembeschermende Voorzieningen; – CUR/PBV-aanbeveling 44: CUR/PBV-aanbeveling 44 «Beoordeling vloeistofdichtheid van vloeistofdichte voorzieningen» (vierde herziene uitgave), 2005, Stichting CUR, Gouda; – vloeistofdichte vloer: vloer direct op de bodem die waarborgt dat geen vloeistof aan de niet met vloeistof belaste zijde van die vloer kan komen; – vloeistofdichte voorziening: fysieke voorziening in of direct op de bodem, niet zijnde een vloer, die waarborgt dat geen vloeistof aan de niet met vloeistof belaste zijde van die voorziening kan komen; – inspecteur: deskundig inspecteur als bedoeld in CUR/PBV-aanbeveling 44; – bodembeschermende voorziening: fysieke voorziening die de kans op emissies of immissies reduceert; – bodembeschermende maatregel: handeling in de vorm van controle of onderhoud van een voorziening of proces, om de kans op emissies of immissies te reduceren; – PBV-Verklaring vloeistofdichte voorziening: verklaring op basis van het KIWA/PBV document 99–02 Model Verklaring vloeistofdichte voorziening.
- a. treft maatregelen of voorzieningen die ertoe bijdragen dat binnen de inrichting het ontstaan van afvalstoffen wordt voorkomen of beperkt en
- b. geeft op verzoek van het bevoegd gezag aan welke maatregelen of voorzieningen hij heeft getroffen of zal treffen.
- a. papier- en kartonafval;
- b. kunststofafval;
- c. elektrische en elektronische apparatuur;
- d. glasafval en
- e. textielafval.
- a. bedrijfsafvalstoffen bevat, waarvan kan worden voorkomen dat ze in het bedrijfsafvalwater terecht komen,
- b. een gevaarlijke afvalstof is, waarvan kan worden voorkomen dat deze in de riolering terecht komt, of
- c. stankoverlast buiten de inrichting veroorzaakt.
- a. belemmert niet de doelmatige werking:
- 1°. van dat riool,
- 2°. van een door een bestuursorgaan beheerd zuiveringstechnisch werk of
- 3°. van de apparatuur die behoort bij een zodanig openbaar riool of zuiveringstechnisch werk,
- b. belemmert niet de verwerking van slib, verwijderd uit een openbaar riool of een door een bestuursorgaan beheerd zuiveringstechnisch werk, en
- c. heeft geen of zo beperkt mogelijke nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater,
- d. heeft een concentratie aan chloroform in enig steekmonster, bepaald volgens NEN-EN-ISO 10 301, van ten hoogste 25 mg per liter, en
- e. heeft een concentratie aan PER in enig steekmonster, bepaald volgens NEN-EN-ISO 10 301, van ten hoogste 0,1 mg per liter.
- a. De immissie-concentratie van PER ter plaatse van gevoelige objecten en niet tot de inrichting behorende balkons, terrassen of tuinen, bedraagt niet meer dan 0,25 mg/m3 als jaargemiddelde.
- b. Voor inrichtingen waarbinnen reeds vóór de inwerkingtreding van dit besluit met PER wordt gereinigd, geldt onderdeel a vanaf vijf jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit. Indien binnen een zodanige inrichting een installatie die is ingericht voor reiniging met PER wordt gewijzigd of uitgebreid, geldt onderdeel a vanaf het moment dat de wijziging of uitbreiding in werking treedt.
- a. Indien binnen de inrichting met PER wordt gereinigd, toont degene die de inrichting drijft, aan het bevoegd gezag aan dat aan voorschrift 2.1.1 alsmede aan onderdeel a van voorschrift 2.1.2 wordt voldaan. Daartoe verricht degene die de inrichting drijft, metingen die worden uitgevoerd met inachtneming van de meetvoorschriften uit bijlage 2. De metingen worden uiterlijk verricht binnen drie maanden na het van toepassing worden van voorschrift 2.1.2, dan wel op een eerder tijdstip na goedkeuring van het bevoegd gezag. De rapportage van de metingen wordt aan het bevoegd gezag overhandigd.
- b. Voor inrichtingen waarbinnen reeds vóór de inwerkingtreding van dit besluit met PER wordt gereinigd, geldt onderdeel a vanaf vijf jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit. Indien binnen een zodanige inrichting een installatie die is ingericht voor reiniging met PER wordt gewijzigd of uitgebreid, geldt onderdeel a vanaf het moment dat de wijziging of uitbreiding in werking treedt.
- a. deze geschikt is voor het desbetreffende oplosmiddel, en
- b. er tijdens het reinigen geen oplosmiddel kan ontwijken.
- a. vloeistoffen of vaste stoffen in de bodem terechtkomen,
- b. giftige of explosieve gassen of dampen zich verspreiden, en
- c. geurhinder in de omgeving ontstaat.
- a. een voor die activiteit of activiteiten gecertificeerde rechtspersoon, of
- b. een andere rechtspersoon die ter zake van die activiteit of activiteiten over aantoonbare gelijkwaardige deskundigheid beschikt.
- a. Van een vloeistofdichte vloer die is aangelegd vóór 1 april 1990, wordt vóór 1 oktober 2005 de vloeistofdichtheid beoordeeld en goedgekeurd door een inspecteur, overeenkomstig CUR/PBV-aanbeveling 44.
- b. Van een vloeistofdichte vloer die is aangelegd tussen 1 april 1990 en 1 maart 2005, wordt vóór 1 april 2007 de vloeistofdichtheid beoordeeld en goedgekeurd door een inspecteur, overeenkomstig CUR/PBV-aanbeveling 44.
- c. Van een vloeistofdichte vloer die wordt aangelegd vanaf 1 maart 2005, wordt binnen twee jaar na de aanleg de vloeistofdichtheid beoordeeld en goedgekeurd door een inspecteur, overeenkomstig CUR/PBV-aanbeveling 44.
- d. Bij goedkeuring geeft de inspecteur een PBV-Verklaring vloeistofdichte voorziening af. De PBV-Verklaring vloeistofdichte voorziening vermeldt een termijn van zes jaar waarbinnen de vloeistofdichte vloer opnieuw is beoordeeld en goedgekeurd.
- e. Van een vloeistofdichte vloer wordt binnen de in onderdeel d bedoelde termijn de vloeistofdichtheid beoordeeld en goedgekeurd door een inspecteur, overeenkomstig CUR/PBV-aanbeveling 44.
- f. Na goedkeuring draagt degene die de inrichting drijft, zorg voor een jaarlijkse controle van de vloeistofdichte vloer. Deze controle vindt plaats conform bijlage D van CUR/PBV-aanbeveling 44.
- g. Een PBV-Verklaring vloeistofdichte voorziening die vóór 1 maart 2005 is afgegeven door een inspecteur die werkzaam was bij een rechtspersoon die daartoe was gecertificeerd, is geldig tot zes jaar na de keuring.
- h. Een PBV-Verklaring vloeistofdichte voorziening verliest haar geldigheid indien de controle, bedoeld in onderdeel f, niet is uitgevoerd, niet overeenkomstig bijlage D van CUR/PBV-aanbeveling 44 is uitgevoerd of indien de gebreken aan de vloer die tijdens deze controle zijn geconstateerd niet zijn hersteld.
- i. De rechtspersoon waarbij de inspecteur werkzaam is, is daartoe geaccrediteerd door de Raad voor Accreditatie. Tot 1 oktober 2006 wordt de inspecteur die werkzaam is bij een rechtspersoon die daartoe is gecertificeerd, gelijkgesteld met een inspecteur die werkzaam is bij een rechtspersoon die daartoe is geaccrediteerd.
- a. het totaal aan inkoop van VOS-houdende producten, over elk kalenderjaar;
- b. de voorraad aan VOS-houdende producten en afvalstoffen op 1 januari van elk jaar;
- c. de totale hoeveelheid vluchtige organische stoffen aanwezig in afvalstoffen, die per kalenderjaar uit de inrichting zijn afgevoerd;
- d. het totale verbruik van vluchtige organische stoffen in het verstreken kalenderjaar, te berekenen uit het verschil tussen de ingekochte hoeveelheden, de afgevoerde hoeveelheden, de aan de leverancier geretourneerde hoeveelheden en het voorraadverschil en
- e. de totale hoeveelheid textiel (uitgedrukt in kg gereinigd textiel) dat is gereinigd met PER of een ander VOS-houdend product, over elk kalenderjaar.
- a. de resultaten van op basis van voorschrift 2.1.3, 4.3.1 en 4.4.1 verrichte onderzoeken naar respectievelijk de immissie-concentratie van PER, de mogelijkheden tot beperking van het ontstaan van afvalstoffen en de mogelijkheden van het voorkomen van emissies naar de lucht,
- b. onderhoudscontracten met betrekking tot in de inrichting aanwezige installaties,
- c. certificaten of bewijzen van:
- 1°. de installatie van tanks, filters en andere voorzieningen en
- 2°. onderhoud of keuringen van de in de inrichting aanwezige voorzieningen en installaties,
- d. jaarlijkse overzichten van nutsbedrijven van het verbruik van gas, water en elektriciteit,
- e. de veiligheidsinformatiebladen die behoren bij de in de inrichting aanwezige gevaarlijke stoffen,
- f. afgiftebewijzen van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen,
- g. de registratie van vluchtige organische stoffen, bedoeld in voorschrift 3.2.10 en
- h. een uittreksel van de inschrijving in het handelsregister.
- a. het doen van onderzoek naar de mogelijkheden tot het treffen van maatregelen of voorzieningen ten behoeve van het voorkomen of het beperken van het ontstaan van afvalstoffen binnen de inrichting, voorzover maatregelen of voorzieningen onvoldoende bekend zijn, of
- b. de ten behoeve van het voorkomen of het beperken van het ontstaan van afvalstoffen binnen de inrichting te treffen maatregelen of voorzieningen, bedoeld in voorschrift 1.3.1.
- a. het uitvoeren van metingen indien op basis van de geregistreerde gegevens niet vaststaat of de emissie-eis van water niet wordt overschreden, en
- b. de samenstelling, eigenschappen of hoeveelheid van bedrijfsafvalwater dat wordt gebracht in een openbaar riool als bedoeld in voorschrift 1.3.6 of in een andere voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater als bedoeld in voorschrift 1.3.7.
- a. het doen uitvoeren van metingen indien op basis van de beschikbare gegevens niet vaststaat of aan voorschrift 2.1.1, 2.1.2 of 2.2.4 wordt voldaan,
- b. het doen van onderzoek naar de mogelijkheden tot het treffen van maatregelen of voorzieningen ten behoeve van het voorkomen van emissies naar de lucht of naar niet tot de inrichting behorende ruimten van gevoelige objecten,
- c. de ten behoeve van het voorkomen van emissies naar de lucht of naar niet tot de inrichting behorende ruimten van gevoelige objecten te treffen maatregelen, en
- d. de situering en hoogte van de in voorschrift 2.1.8 bedoelde afvoerleiding.