Bijlage A Aanspraken op de stichting Goodwillfonds voor Huisartsen: begunstigde
Aanspraken op de stichting Goodwillfonds voor Huisartsen
1. Begunstigde is diegene die: 2. Begunstigde is tevens diegene die: 3. Begunstigde is voorts een instelling voor gezondheidszorg en een praktijkvennootschap indien: Onder begunstigde worden begrepen: Het bestuur is bevoegd in bepaalde gevallen of groepen van gevallen de periode waarbinnen de overeenkomsten conform bijlage I, II of III dienen te worden gesloten, te verlengen. Tot zodanige verlenging kan het bestuur slechts besluiten indien het bestuur dit ter verificatie van gegevens nodig oordeelt.
- a. op 31 december 1985 huisarts was en op die datum als zodanig werkzaam was; én
- b. vóór 1 april 1987 aan de Stichting tot Oprichting van een Goodwillfonds voor Huisartsen en/of aan het fonds de benodigde gegevens voor vaststelling van de aanspraak heeft verschaft; én
- c. vóór 1 januari 1988 met het fonds een overeenkomst conform bijlage I heeft gesloten waarbij de omvang van de aanspraak van die huisarts wordt vastgesteld en waarbij die huisarts zich onder meer verbindt tot het niet bedingen in enigerlei vorm van een goodwillvergoeding ter gelegenheid van praktijkbeëinding en associatie, casu quo – indien die huisarts bij het aangaan van die overeenkomst inmiddels zijn praktijk geheel of gedeeltelijk heeft beëindigd – verklaart ter gelegenheid van zijn praktijkbeëindiging niet in enigerlei vorm een goodwillvergoeding ontvangen te hebben.
- a. op 31 december 1985 huisarts was en op die datum in dienstverband van een instelling voor gezondheidszorg of een praktijkvennootschap als zodanig werkzaam was; én
- b. vóór 1 april 1987 aan de Stichting tot Oprichting van een Goodwillfonds voor Huisartsen en/of aan het fonds de benodigde gegevens voor vaststelling van de aanspraak heeft verschaft; én
- c. vóór 1 januari 1988 met het fonds en die instelling voor gezondheidszorg of die praktijkvennootschap een overeenkomst conform bijlage II heeft gesloten waarbij de omvang van de aanspraak wordt vastgesteld en partijen verklaren dat de aanspraak aan die huisarts toekomt en waarbij die huisarts zich verbindt tot het niet bedingen in enigerlei vorm van een goodwillvergoeding ter gelegenheid van praktijkbeëindiging en associatie, casu quo – indien die huisarts bij het aangaan van die overeenkomst inmiddels zijn praktijk geheel of gedeeltelijk heeft beëindigd – verklaart ter gelegenheid van zijn praktijkbeëindiging niet in enigerlei vorm een goodwillvergoeding ontvangen te hebben.
- a. op 31 december 1985 een huisarts als zodanig in dienst van die instelling voor gezondheidszorg of van die praktijkvennootschap werkzaam was; én
- b. vóór 1 april 1987 aan de Stichting tot Oprichting van een Goodwillfonds voor Huisartsen of aan het fonds de benodigde gegevens voor vaststelling van de aanspraak zijn verschaft; én
- c. vóór 1 januari 1988 met het fonds en die instelling voor gezondheidszorg of die praktijkvennootschap een overeenkomst conform bijlage III is gesloten waarbij de omvang van de aanspraak wordt vastgesteld en partijen verklaren dat de aanspraak aan die instelling voor gezondheidszorg of aan die praktijkvennootschap toekomt en waarbij die instelling voor gezondheidszorg zich verbindt bij indiensttreding van een huisarts niet in enigerlei vorm een vergoeding voor goodwill te zullen bedingen en verklaart sedert 31 december 1985 bij indiensttreding van een huisarts niet in enigerlei vorm een goodwillvergoeding ontvangen te hebben, dan wel die praktijkvennootschap te zamen met die huisarts zich hoofdelijk verbinden tot het niet bedingen in enigerlei vorm van een goodwillvergoeding ter gelegenheid van praktijkbeëindiging van die huisarts, casu quo – indien die huisarts bij het aangaan van die overeenkomst inmiddels zijn praktijk geheel of gedeeltelijk heeft beëindigd – verklaren ter gelegenheid van praktijkbeëindiging van die huisarts niet in enigerlei vorm een goodwillvergoeding ontvangen te hebben.
- a. de huisarts die zicht als huisarts heeft gevestigd in de periode tussen 31 december 1985 en 1 januari 1987 en die ten genoege van het fonds aantoont bij die vestiging in enigerlei vorm een vergoeding voor goodwill te hebben betaald mits door deze huisarts vóór 1 april 1987 de benodigde gegevens voor vaststelling van de aanspraak zijn verschaft en vóór 1 januari 1988 met het fonds een overeenkomst conform bijlage I is gesloten;
- b. de rechtopvolgers onder algemene titel van de huisarts bedoeld in artikel 2, lid 1 en lid 2 en in dit artikel sub a indien door die huisarts niet vóór 1 april 1987 de benodigde gegevens voor vaststelling van de aanspraak zijn verschaft en/of vóór 1 januari 1988 een overeenkomst conform bijlage I of II is gesloten, mits door deze rechtsopvolgers vóór 1 januari 1988 deze gegevens zijn verschaft respectievelijk vóór 1 januari 1989 een overeenkomst conform bijlage IV is gesloten, waarbij onder meer de omvang van de aanspraak wordt vastgesteld en partijen verklaren aan wie de aanspraak toekomt en diegene aan wie de aanspraak toekomt verklaart dat ter gelegenheid van praktijkbeëindiging van die huisarts niet in enigerlei vorm een goodwillvergoeding is betaald. De bepalingen van dit reglement met betrekking tot huisartsen en begunstigden zijn op deze rechtsopvolgers onder algemene titel zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing, voor zover in dit reglement niet anders is bepaald of uit de tekst anders blijkt.