Bijlage 2 Landelijk experimenteerkader Regionale Expertisecentra in oprichting: indicatiecriteria toelaatbaarheid tot (v)so en leerling gebonden financiering

Landelijk experimenteerkader Regionale Expertisecentra in oprichting

In dit document wordt verstaan onder: De CvI bestaat uit een voorzitter, die tevens lid is, en ten minste vier andere leden. De onafhankelijkheid van de voorzitter en leden van de CvI t.o.v. de scholen in het REC dient gewaarborgd te zijn. Een (adjunct)directeur van een van de scholen van het REC, of een bovenschools (adjunct)directeur binnen het REC kan geen voorzitter of lid van de CvI zijn. Tot de leden behoren in ieder geval een arts, met een specifieke deskundigheid ten aanzien van de stoornissen en beperkingen die kenmerkend zijn voor de leerlingen in het betreffende cluster of een jeugdarts en een onderzoeker met deskundigheid ten aanzien van deze stoornissen en beperkingen, een als diagnosticus gekwalificeerde gedragswetenschapper (psycholoog of orthopedagoog), een onderwijsdeskundige of orthodidacticus en een maatschappelijk deskundige. De leden dienen voorts voldoende op de hoogte te zijn van de doelgroepen en van het aanbod van de overige clusters teneinde bij de toelaatbaarheidsbepaling goed te kunnen differentiëren tussen de clusters. Als regel geldt dat onderzoeksgegevens niet ouder mogen zijn dan een jaar, tenzij het gaat om gegevens betreffende evident stabiele leerlingkenmerken. Voor het onderwijskundig rapport geldt dat dit uiterlijk drie maanden voorafgaand aan het moment van aanmelding, dan wel aan het moment van schoolverlaten mag zijn opgesteld.