Bijlage 3 Vennootschapsbelasting, bedrijfsfusie, algemene toestemming aan de inspecteur voor de afdoening van verzoeken om toepassing van artikel 14, tweede lid, Wet Vpb: afwijzing
Belastingdienst/<eenheid> Beschikking Datum: De Inspecteur van de Belastingdienst/ <aanduiding eenheid + plaats>, krachtens het besluit van de Directeur-Generaal Belastingdienst van 19 december 2000, nr. CPP2000/3042M, toegestaan te beschikken op het verzoek van <naam indiener verzoek>, van <datum>, kenmerk <nummer>, om vrijstelling van de heffing van vennootschapsbelasting ter zake van de in het verzoek omschreven overdracht van (het zelfstandige onderdeel van) de onderneming van <naam overdrager (fiscaal nummer)> te <vestigingsplaats> (hierna te noemen: overdrager) aan <naam overnemer (fiscaal nummer)> te <vestigingsplaats> (hierna te noemen: overnemer) tegen uitreiking van aandelen; gelet op artikel 14, tweede lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969; overwegende dat besluit het verzoek af te wijzen. Hoogachtend, Belastingdienst/<aanduiding eenheid + plaats> De Inspecteur, ............. Dit is een voor bezwaar vatbare beschikking. Als u het niet eens bent met deze beschikking kunt u binnen zes weken na dagtekening van deze beschikking een bezwaarschrift indienen bij de Belastingdienst. Het postadres staat op deze beschikking. Een bezwaarschrift is tijdig ingediend indien het binnen de bezwaartermijn is ontvangen. Bij verzending per post is een bezwaarschrift tijdig ingediend als het vóór het einde van de termijn ter post is bezorgd en niet later dan één week na afloop van de termijn is ontvangen.
- – de bedrijfsfusie in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing, en mitsdien het verzoek op grond van het bepaalde in artikel 14, vierde lid Wet Vpb niet voor inwilliging vatbaar is;
- – het verzoek niet is ingediend vóór de overdracht van de onderneming;
- – geen sprake is van een door de overdrager uitgeoefende onderneming in materiële zin;
- – de overgedragen vermogensbestanddelen voor de overnemer geen zelfstandige onderneming kunnen vormen;
- – de overdracht van de onderneming wordt gevolgd door vervreemding aan een derde van een wezenlijk deel van de overgedragen onderneming, en
- – aannemelijk is dat het voornemen daartoe al vóór de overdracht bestond, en
- – dit niet geschiedt in het kader van een bij de aard en omvang van de onderneming van de overnemer passende bedrijfsuitoefening, en
- – niet wordt voldaan aan het bepaalde in punt 3.1 van het besluit van 19 december 2000, nr. CPP2000/3041M;
- – geen sprake is van overdracht geheel tegen uitreiking van aandelen;
- – geen adequate tegenprestatie voor de overgedragen onderneming wordt verkregen.
- – de overdracht tegen preferente aandelen plaatsvindt, die
- – niet cumulatief preferent zijn;
- – niet à pari zijn geplaatst;
- – een te laag dividendpercentage hebben;
- – sprake is van een fiscale eenheid in de zin van artikel 15 Wet Vpb tussen overdrager en overnemer;
- – de voorovereenkomst of intentieverklaring niet binnen 9 maanden na de aanvang van het gewenste overgangstijdstip is gesloten en geregistreerd;
- – de oprichting van en de overdracht aan de overnemer niet hebben plaatsgevonden binnen 15 maanden na het gewenste overgangstijdstip;
- – het eerste boekjaar van de overnemer feitelijk de resultaten van meer dan 24 maanden omvat;
- – met het verlenen van terugwerkende kracht een incidenteel fiscaal voordeel wordt behaald;