Art. 3 Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Reinigingsagenten Dienst Stadstoezicht Amsterdam 2000

Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Reinigingsagenten Dienst Stadstoezicht Amsterdam 2000

1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot de opsporing van feiten strafbaar gesteld bij of krachtens:

a. de Wet milieubeheer; de Wet verontreiniging oppervlaktewateren; de Wet bodembescherming;

b. de Algemene Plaatselijke Verordening van de in het tweede lid genoemde gemeente en/of andere (provinciale) verordeningen, voorzover betrokkene voor voornoemde verordeningen door het bevoegd bestuursorgaan daartoe is aangewezen;

c. de artikelen 179, 180, 181, 182, 184, 185, 285, 424, 425, en 435, onder 4 van het Wetboek van Strafrecht;

d. andere strafbare feiten, indien en voorzover de buitengewoon opsporingsambtenaar daarmee in een concreet opsporingsonderzoek is belast, voor de duur van dat onderzoek;

e. de Wet op de economische delicten, voorzover het feiten betreft waarvoor in dit besluit en binnen de op grond van dit besluit uit te vaardigen `akten' opsporingsbevoegdheid is verleend.

2. De opsporingsbevoegdheid geldt voor het grondgebied van de gemeenten Amsterdam, Ouder-Amstel en Aalsmeer.