Bijlage B Regeling bepalingsmethode cadmiumgehalte van producten milieubeheer: bepaling van het cadmiumgehalte in producten met behulp van Atomaire Absorptie Spectrometrie (vlam- of grafietoven-AAS), Inductief Gekoppeld Plasma Atomaire Emissie Spectrometrie (ICP-AES) of Inductief Gekoppeld Plasma Massa Spectrometrie (ICP-MS)
Regeling bepalingsmethode cadmiumgehalte van producten milieubeheer
Geen. Bij de monstervoorbewerking worden a-select delen van het product genomen en behandeld met reactieve vloeistoffen teneinde het cadmium in oplossing te brengen voor analyse. Dubbel gedemineraliseerd water met een verwaarloosbaar cadmiumgehalte. De organische bestanddelen en metalen worden door verhitting met de reagentia zwavelzuur, salpeterzuur en waterstofperoxide of met zwavelzuur en waterstofperoxide gedestrueerd waardoor cadmium oplost. De analyse in het verdund destruaat vindt plaats met vlam-AAS, grafietoven-AAS, ICP-AES of ICP-MS. prEN 1122 (1995): Determination of cadmium in plastics with the method of the wet decomposition. ISO 3856/4 (1984): Paints and varnishes. Determination of `soluble' metal content. Part 4: Determination of cadmium content -Flame atomic absorbtion, pectrometric method and polarographic method. ISO 13752 (1998): Air quality. Assessment of uncertainty of a mea-surement method under field conditions using a second method as reference. NEN 6426 (1995): Water. Bepaling van 40 elementen met atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma. NEN 6452 (1980): Water. Bepaling van het gehalte aan cadmium met behulp van atomaire absorptiespectrometrie (vlamtechniek). NEN 6458 (1983): Water. Bepaling van het gehalte aan cadmium met behulp van atomaire absorptiespectrometrie (grafietoventechniek). In de rapportage zijn per monster vermeld:
- 1.1 Verpakkingsmaterialen (plastic zakken).
- 1.2 Schrijfgerei en verzegelingsapparatuur.
- 1.3 Gereedschap voor monsterneming.
- 1.4 De apparatuur en de hulpmiddelen, bedoeld in 1.1 tot en met 1.3, mogen de meetwaarde niet beïnvloeden door mogelijke cadmiumafgifte.
- 3.1 Verpak de geselecteerde producten zodanig met verpakkingsmaterialen dat contaminatie met cadmium uit de werkomgeving niet mogelijk is. Verzegel het monster vervolgens voor onderzoek.
- 3.2 Verkrijg als beschreven in 3.1, een tweede monster voor contra-expertise.
- 3.3 Noteer voor beide monsters alle informatie voor de identificatie van het product, waaronder in elk geval datum, plaats, eigenaar, merk, type, wijze van verpakking van het product en de omvang van de voorraad waaruit het monster afkomstig is.
- 2.1 Instrumenten om monsters te verkleinen, zoals een mes, een zaag, een schaar of maalapparatuur.
- 2.2 Dewarvat met vloeibare stikstof.
- 2.3 De apparatuur en de hulpmiddelen, bedoeld in 2.1 en 2.2, mogen de meetwaarde niet beïnvloeden door mogelijke cadmiumafgifte.
- 4.1 Selecteer de delen van het product waarin cadmium kan zijn toegepast. Dit kan ook het gehele product zijn. De verkregen delen worden verder aangeduid als deelmonsters.
- 4.2 Voorkom handelingen die contaminatie van de deelmonsters met cadmium uit de werkomgeving tot gevolg kunnen hebben.
- 4.3 Voorkom handelingen die verlies van cadmium tot gevolg kunnen hebben, bijvoorbeeld door vervluchtiging.
- 5.1 Oppervlaktelaag: onder andere verf en gemetalliseerde oppervlakken
- 5.1.1 Van een product waarvan de oppervlaktelaag wordt gecontroleerd op de aanwezigheid van cadmium, worden vijf willekeurige plaatsen aangegeven.
- 5.1.2 Verwijder op de aangegeven plaatsen met een mes vijf maal 0,1 tot 2 gram van de oppervlaktelaag. De vijf subdeelmonsters worden samengevoegd tot één deelmonster.
- 5.1.3 Neem op dezelfde wijze als beschreven in 5.1.1 en 5.1.2, een duplodeelmonster van het naastgelegen oppervlaktemateriaal.
- 5.2 Overige voorwerpen waaronder kunststoffen
- 5.2.1 Neem per deelmonster ten minste 2 stukjes van minimaal 2 gram.
- 5.2.2 Maak de stukjes schoon met water en droog het monster aan de lucht.
- 5.2.3 Indien het deelmonster bestaat uit homogeen materiaal, wordt het door zagen of knippen zodanig verkleind, dat een analysemonster voor destructie wordt verkregen.
- 5.2.4 Indien het deelmonster bestaat uit inhomogeen materiaal, wordt een hoeveelheid van minimaal 2 gram van het materiaal vermalen tot deeltjes kleiner dan 1 millimeter (bv. cryogeen met behulp van een centrifugaalmolen), opdat een representatief analysemonster wordt genomen voor destructie.
- 5.2.5 Neem op dezelfde wijze als beschreven in 5.2.2 tot en met 5.2.4, een duplodeelmonster.
- 5.2.6 Analyseer het duplodeelmonster, bedoeld in voorschrift I, onder 3.2, op dezelfde wijze als het deelmonster.
- 3.1 Analytische balans, afleesnauwkeurigheid van 0.001 gram.
- 3.2 Destructievat vervaardigd uit inert materiaal, bestand tegen een temperatuur tot 330(C en zodanig geconstrueerd dat geen destruaat verloren kan gaan door toevoeging van reagentia.
- 3.3 Verhittingsapparatuur die zodanig is vervaardigd dat destructie veilig en bij een beheerste temperatuur in het gebied tussen 170°C en 270°C kan worden uitgevoerd.
- 3.4 Volumetrisch glaswerk.
- 3.5 Analyseapparatuur bestaande uit een vlam-AAS, een grafietoven-AAS, een ICP-AES of een ICP-MS.
- 3.6 Afvoerinstallatie voor dampen zoals een zuurkast of puntafzuiging.
- 3.7 Membraanfilter met een poriewijdte van 0,45 (m.
- 3.8 Centrifuge geschikt voor reageerbuizen.
- 3.9 Reageerbuizen.
- 3.10 De apparatuur en de hulpmiddelen, bedoeld in 3.1 tot en met 3.9, mogen de meetwaarde niet beïnvloeden door mogelijke cadmiumafgifte.
- 4.1 Gedemineraliseerd water.
- 4.2 Zwavelzuur (H2SO4) 95-97% (m/m).
- 4.3 Salpeterzuur (HNO3) 65% (m/m).
- 4.4 Waterstofperoxide (H2O2) 30% (m/m).
- 4.5 Voorraadstandaard cadmium, 1000 µlg/l, minimaal 0,01 mol/l salpeterzuur.
- 4.6 Het cadmiumgehalte van de chemicaliën benodigd voor destructie, genoemd in 4.1 tot en met 4.5, is zodanig laag, dat het de meetwaarde niet kan beïnvloeden.
- 5.1 Stel de meetonzekerheid van de meetmethode vast alvorens de methode te accepteren voor analyse.
- 5.2 Bepaal de meetonzekerheid uit de vergelijking van meetwaarden met referentiewaarden voor een representatieve steekproef van ten minste 30 verschillende praktijkmonsters, bijvoorbeeld met behulp van ISO 13752. De referentiewaarden zijn de meetwaarden verkregen met de in bijlage A beschreven methode (INAA).
- 5.3 Bereken de meetonzekerheid bij een cadmiumgehalte van 100 milligram per kilogram als de absolute waarde van de gemiddelde systematische afwijking, vermeerderd met 2,4 maal de standaarddeviatie (betrouwbaarheid 99%, enkelzijdig). De maximaal toelaatbare meetonzekerheid bedraagt 50% en omvat de deelbemonstering, destructie en destruaatanalyse.
- 5.4 De minimum meetwaarde van overschrijding wordt gedefinieerd als het gemeten gehalte waarbij met een betrouwbaarheid van 99% kan worden gesteld dat de kritische waarde werkelijk is overschreden. Deze waarde is gelijk aan de kritische waarde vermeerderd met de meetonzekerheid.
- 5.5 De maximum meetwaarde van onderschrijding wordt gedefinieerd als het gemeten gehalte waarbij met een betrouwbaarheid van 99% kan worden gesteld dat de kritische waarde werkelijk is onderschreden. Deze waarde is gelijk aan de kritische waarde verminderd met de meetonzekerheid.
- 6.1 Voer de destructie van het analysemonster uit door verhitting met de reagentia zwavelzuur, salpeterzuur en waterstofperoxide als beschreven in onderdeel 7 (destructiemethode A), dan wel met de reagentia zwavelzuur en waterstofperoxide als beschreven in onderdeel 8 (destructiemethode B).
- 6.2 Voer de destructie zodanig uit dat de ontstane dampen veilig worden afgevoerd.
- 7.1 Weeg op 0,001 gram nauwkeurig een analysemonster af bestaande uit 0,5±0,1 gram van een homogeen, of een door maling gehomogeniseerd deelmonster. Zorg ervoor dat het analysemonster zich volledig op de bodem van het destructievat bevindt.
- 7.2 Voeg aan het analysemonster toe 10±0,5 milliliter zwavelzuur en 1 à 2 milliliter salpeterzuur.
- 7.3 Verhit het analysemonster met het zuurmengsel bij atmosferische druk totdat het materiaal verandert in een zwarte massa en er witte dampen vrijkomen (ca. 250°C).
- 7.4 Koel het destruaat tot 200°C of lager en voeg druppelsgewijs 1 à 2 milliliter salpeterzuur toe.
- 7.5 Verhit het destruaat opnieuw tot er witte dampen ontstaan (ca. 250°C).
- 7.6 Herhaal de handelingen, bedoeld in 7.4 en 7.5, tot er een licht gele oplossing is verkregen.
- 7.7 Koel het destruaat opnieuw af tot 200°C of lager en voeg geleidelijk 5 milliliter waterstofperoxide toe.
- 7.8 Beëindig de destructie door het destruaat gedurende 5 minuten te verhitten tot ca. 250°C.
- 7.9 Herhaal de handelingen, beschreven in 7.7 en 7.8, indien het destruaat nog niet geheel helder is.
- 8.1 Weeg op 0,001 gram nauwkeurig een analysemonster af bestaande uit 0,5±0,1 gram van een homogeen, of een door maling gehomogeniseerd deelmonster. Zorg ervoor dat het analysemonster zich volledig op de bodem van het destructievat bevindt.
- 8.2 Voeg aan het analysemonster toe 10±0,5 milliliter zwavelzuur toe.
- 8.3 Verhit het analysemonster met het zuur bij atmosferische druk totdat het materiaal verandert in een zwarte massa. Blijf vervolgens nog 15 minuten doorverhitten wanneer er witte dampen vrijkomen (ca. 250°C).
- 8.4 Koel het destruaat tot 200°C of lager en voeg geleidelijk 20 milliliter waterstofperoxide toe, bijv. in porties van 1 milliliter.
- 8.5 Verhit het destruaat opnieuw en handhaaf deze temperatuur gedurende 10 minuten.
- 8.6 Koel het destruaat opnieuw af tot 200°C of lager en voeg geleidelijk 5 milliliter waterstofperoxide toe.
- 8.7 Verhit het destruaat opnieuw.
- 8.8 Wanneer het destruaat vervolgens helder is en niet meer donker kleurt, is de destructie gereed. Indien het destruaat nog niet helder is, worden de handelingen, bedoeld in 8.6 en 8.7, herhaald totdat het destruaat helder is.
- 8.9 Bij sommige kunststofmonsters ontstaan bij gebruikmaking van deze methode B zwarte dampen waarbij een donkere aanslag tegen de wanden of de koeler van het destructievat wordt gevormd. Door reflux kunnen de wanden of de koeler worden schoongespoeld, waarbij niet in alle gevallen een helder destruaat ontstaat. Gebruikmaking van methode A geeft in dergelijke gevallen een helder destruaat.
- 9.1 Pas als analysetechnieken toe: vlam-AAS, grafietoven-AAS, ICP-AES of ICP-MS.
- 9.2 Verdun het destruaat, verkregen door destructiemethode A of B, in het destructievat ca. twee delen met water als voorverdunning vanwege warmteontwikkeling.
- 9.3 Breng, na afkoelen, het destruaat kwantitatief over in een maatkolf van V ml waarin zich reeds water bevindt.
- 9.4 Laat de oplossing wederom afkoelen en vul aan tot de maatstreep met water.
- 9.5 Verdun, afhankelijk van de toe te passen analysetechniek, verder met water of verdund zuur, zodanig dat pH ≤ 2.
- 9.6 Filtreer met een filter of centrifugeer met een centrifuge en een reageerbuis het destruaat indien er nog deeltjes in het destruaat voorkomen.
- 9.7 Voer de analyse uit in de heldere oplossing.
- 10.1 Bereken het gehalte aan cadmium van deelmonster en duplodeelmonster volgens: waarin:
- p = het gehalte aan cadmium in milligram per kilogram,
- F = de verdunningsfactor van het oorspronkelijk in de maatkolf van V ml opgenomen destruaat.
- F = 1 bij geen verdunning,
- C = het gemeten cadmiumgehalte in het (verdunde) destruaat in milligram per liter,
- M = de ingewogen hoeveelheid monster in grammen,
- V = het volume van de maatkolf waarin het destruaat wordt opgenomen in milliliter.
- 10.2 Accepteer het gemiddelde van de duplowaarden als meetwaarde indien de kwaliteitsborging voldoet aan de eisen, genoemd in onderdeel 12.
- 11.1 Besluit tot overschrijding bij een meetwaarde die ligt boven de kritische waarde vermeerderd met de meetonzekerheid, bedoeld in 5.4.
- 11.2 Besluit tot onderschrijding bij een meetwaarde die ligt beneden de kritische waarde verminderd met de meetonzekerheid, bedoeld in 5.5.
- 11.3 Bij een meetwaarde die ligt tussen de waarden, bedoeld in 5.4 en 5.5, is met een betrouwbaarheid van ten minste 99% een besluit tot overschrijding of onderschrijding niet mogelijk.
- 12.1 Voer per destructieserie ten minste een (enkelvoudige) blancobepaling uit door het achterwege laten van het analysemonster, waarbij de meetwaarden van de serie acceptabel zijn indien het blancoresultaat van het destruaat lager is dan 0,01 milligram cadmium per liter.
- 12.2 Voer per destructieserie ten minste een (enkelvoudige) bepaling uit van het gehalte van een referentiemateriaal, waarbij de meetwaarden van de monsterserie acceptabel zijn indien het verschil tussen meetwaarde en referentiewaarde kleiner is dan de bepaalde meetonzekerheid, bedoeld in 5.3. Als referentiewaarde geldt de gecertificeerde waarde of de waarde bepaald volgens de in bijlage A beschreven methode (INAA).
- 12.3 Neem, voorzover mogelijk, ten minste een maal per jaar deel aan een ringonderzoek en evalueer de resultaten tegen de bepaalde meetonzekerheid, bedoeld in 5.3.
- 12.4 Verwerp de bepaling als het verschil tussen de duplowaarden groter is dan 10% bij een gemiddeld cadmiumgehalte hoger dan 50 milligram per kilogram.
- 12.5 Verwerp de bepaling als het verschil tussen duplowaarden groter is dan 20% bij een gemiddeld cadmiumgehalte hoger dan 10 en lager dan 50 milligram cadmium per kilogram.
- 1 het rapportnummer;
- 2 het identificatienummer van het onderzochte monster;
- 3 beschrijving van het type product waarvan een monster is genomen;
- 4 de datum van monsterneming;
- 5 de datum van analyse van het monster;
- 6 de toegepaste bepalingsmethode;
- 7 de uitslag van de analyse onder vermelding van het gehalte aan cadmium in milligram per kilogram van zowel monsters als referentiemateriaal;
- 8 de meetonzekerheid van de meetwaarde;
- 9 elke bijzonderheid die relevant is voor de bepaling en de meetwaarde;
- 10 elke afwijking van de toegepaste bepalingsmethode.