Art. 32 Wet bescherming persoonsgegevens, Voorafgaand onderzoek
Wet bescherming persoonsgegevens
1. Een gegevensverwerking waarop artikel 31, eerste lid, van toepassing is, wordt als zodanig door de verantwoordelijke bij het College gemeld.
2. De melding van een zodanige gegevensverwerking verplicht de verantwoordelijke de verwerking die hij voornemens is te verrichten, op te schorten totdat het onderzoek van het College is afgerond dan wel hij een bericht heeft ontvangen dat niet tot nader onderzoek wordt overgegaan.
3. In geval van een melding van een gegevensverwerking waarop artikel 31, eerste lid, van toepassing is, besluit het College schriftelijk binnen vier weken na de melding of het tot nader onderzoek overgaat.
4. In het besluit tot nader onderzoek over te gaan geeft het College aan binnen welke termijn het voornemens is dit onderzoek te verrichten. Deze termijn bedraagt niet langer dan twintig weken.
5. Het nader onderzoek, bedoeld in het vierde lid, leidt tot een verklaring omtrent de rechtmatigheid van de gegevensverwerking.
6. De verklaring van het College geldt als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Op de voorbereiding ervan is afdeling 3.4 van die wet van toepassing.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- CRvB 12 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:76
- ABRvS 15 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1185
- Rb. 's-Gravenhage 31 mei 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BX1743
- Rb. 's-Gravenhage 15 maart 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BV9594
- Rb. 's-Gravenhage 1 maart 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BV9587
- Rb. Rotterdam 28 november 2002, ECLI:NL:RBROT:2002:AF1363
- Rb. Den Haag 10 oktober 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:13242
- Rb. Alkmaar 25 november 2010, ECLI:NL:RBALK:2010:BP5621
- Hof Den Haag 11 juli 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1262