Bijlage B Regeling inkomensvoorziening voor oudere gewezen zelfstandigen in de veehouderij

Regeling inkomensvoorziening voor oudere gewezen zelfstandigen in de veehouderij

Diersoort Diercategorie landbouwtelling Rubriek- nummer Bruto standaardsaldo per dier (bss) 1 Voor de bepaling van de bedrijfsomvang geldt dat één Nederlandse grootte-eenheid gelijk is aan 1390 eenheden bruto-standaardsaldo. Rundvee (geen vlees of weidevee) jongvee - jonger dan 1 jaar vrouwelijk 201 315 - jonger dan 1 jaar mannelijk 203 315 - 1 tot 2 jaar mannelijk 205 460 - 1 tot 2 jaar vrouwelijk 207 920 - 2 jaar of ouder vrouwelijk (nog nooit gekalfd) 209 460 melk- en kalfkoeien 211 1840 stieren voor de fokkerij, 2 jaar of ouder 213 920 Rundvee (vlees- of weidevee) vleeskalveren voor de witvleesproductie 214 165 vleeskalveren voor de rosé vleesproductie 216 170 ander jongvee voor de vleesproductie - jonger dan 1 jaar 217/219 290 - 1 tot 2 jaar 221/223 290 - 2 jaar en ouder, vrouwelijk (nog nooit gekalfd) 225 290 stieren voor de vleesproductie, 2 jaar en ouder 227 290 zoogkoeien (tenminste 1 maal gekalfd) 228 520 vlees- en weidekoeien (2 jaar en ouder) 229 290 Varkens biggen tot 20 kg - nog bij zeug 235 - - niet meer bij zeug 237 69 vleesvarkens - 20 tot 50 kg 239 69 - * 50 kg en meer (incl. vleeszeugen en -beren) 241 69 fokvarkens - 20 tot 50 kg, opfokzeugjes en beertjes 243 100 - 50 kg en meer, opfokzeugen, 245 100 niet gedekt - 50 kg en meer, zeugen, gedekt (al dan niet drachtig) 247 400 - 50 kg en meer, zeugen, bij biggen 249 400 - 50 kg en meer, overige zeugen (gust) 251 400 beren - nog niet dekrijp 253 100 - dekrijp 255 400