Bijlage V Regeling uitvoering milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen 2000: behorende bij de Regeling uitvoering milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen 2000

Regeling uitvoering milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen 2000

Als uit de evaluatie van het gedrag van een bestrijdingsmiddel (zie artikel 4, tweede tot en met vijfde lid, van deze regeling) blijkt dat een daarin aanwezige werkzame stof of omzettingsprodukten in het bovenste grondwater terecht kan komen in concentraties boven de gestelde grenswaarde van 0,1 mg/m³ dan kan een middel worden toegelaten als uit onderzoek in de verzadigde ondergrond blijkt dat deze voldoende wordt omgezet in de bodemlaag tot op een diepte van 10 m beneden maaiveld. Hieronder is aangegeven hoe wordt bepaald of er voldoende omzetting heeft plaatsgevonden. Dit moet worden vastgesteld voor elke werkzame stof en elk van zijn omzettingsprodukten, tenzij deze is uitgezonderd overeenkomstig artikel 2 van deze regeling. De toelatinghouder/-aanvrager dient de volgende gegevens te verstrekken uit onderzoek met betrekking tot waterverzadigd ondergrondmateriaal (de voorwaarden waaraan dit onderzoek moet voldoen zijn opgenomen in bovenvermeld rapport): Er dient tenminste één routestudie te worden overlegd met anaëroob waterverzadigd ondergrondmateriaal. De keuze die daarbij wordt gemaakt voor denitrificerende, sulfaatreducerende of methanogene omstandigheden dient overeen te stemmen met de omstandigheden in het meest relevante toepassingsgebied van het middel. De keuze dient door de toelatingaanvrager te worden onderbouwd. Toelichting: In de verzadigde zone van de Nederlandse bodem kunnen zich verschillende redox-condities voordoen, waarvan de aërobe, denitrificerende, sulfaatreducerende en methanogene omstandigheden het meest relevant worden geacht. Van de omzettingsroute in aëroob waterverzadigd ondergrondmateriaal wordt verondersteld dat dit gelijk is aan de route voor onverzadigd materiaal; een omzettingsroutestudie met ondergrondmateriaal onder aërobe condities wordt derhalve niet verlangd. De omzettingssnelheid wordt bepaald voor tenminste 2 aërobe ondergrondmaterialen en voor tenminste 2 anaërobe ondergrondmaterialen; de ondergrondmaterialen dienen represe