Bijlage IV Regeling uitvoering milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen 2000: behorende bij de Regeling uitvoering milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen 2000
Regeling uitvoering milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen 2000
In het onderstaande worden eerst de criteria gegeven waaraan studies naar het voorkomen van bestrijdingsmiddelen in het grondwater (monitoring studies) dienen te voldoen. Vervolgens wordt aangegeven hoe de concentratie wordt gemeten en vastgesteld. Tenslotte volgt een richtlijn voor de interpretatie van de metingen. Monitoring van grondwater op grotere diepte (meer dan 5 meter beneden het aardoppervlak) is niet eenvoudig. Hier wordt bij de beoordeling rekening mee gehouden. Alleen resultaten van metingen worden meegenomen die voldoen aan: Als de grondwaterspiegel ó 5 m -mv. is, dan is het relatief eenvoudig om het grondwater te bemonsteren. In dit geval is het mogelijk een bemonsteringsprogramma op te zetten waaruit zowel gemiddelde concentratie over een behandeld oppervlak (perceel) als een concentratieverloop in de tijd kan worden afgeleid. Voor het verkrijgen van een gemiddelde concentratie over het perceel zijn tenminste vier analyseresultaten noodzakelijk voor één bemonsteringstijdstip (bij voorkeur wordt gemeten aan samengestelde monsters). Binnen het perceel moeten de bemonsteringslocaties willekeurig zijn gekozen. De filters worden in het algemeen geplaatst voor éénmalig gebruik. Voor het verkrijgen van een concentratieverloop in de tijd is het noodzakelijk dat op meerdere tijdstippen wordt bemonsterd en geanalyseerd. De te kiezen tijdstippen zijn afhankelijk van stofeigenschappen, klimaat en bodemeigenschappen. De keuze van de bemonsteringstijdstippen dient te zijn onderbouwd. Immunoassays kunnen worden toegepast als eerste screening. In de uiteindelijke rapportage dient wel aandacht te worden besteed aan ‘vals’ positieven en daarnaast een controle op ‘vals’ negatieven. De concentratie in het (bovenste) grondwater beneden het perceel, zoals bedoeld in artikel 4, lid 3, van de Regeling is nu het maximum in de tijd van de gemiddelde concentratie over het beschouwde oppervlak (het beschouwde perceel); zo nodig wordt geïnterpoleerd binnen de meetgegevens. In he
- alle gebruikte materialen vertonen geen interactie met de te meten stof(fen) (geen interactie die tot een verandering van het resultaat kunnen leiden);
- het filter en de filterstelling zijn zodanig dat water van de beoogde diepte wordt bemonsterd; preferente stroombanen dienen te worden voorkomen;
- bij de installering van ondiepe (tot 5 m -mv) filters mag geen water van elders worden gebruikt; bij diepere filters moet dit zoveel mogelijk worden voorkomen;
- installering van de filters en monsterneming mogen de profielopbouw niet verstoren en er mag geen menging van grond optreden;
- monsterneming dient volledig traceerbaar te geschieden en (kruis)verontreiniging dient te worden voorkomen;
- de monsternemingsmaterialen en -apparatuur worden voorgespoeld met een kleine hoeveelheid grondwater (ongeveer 10% van het monstervolume);
- de onttrekkingssnelheid van water ten behoeve van de bemonstering mag niet te groot zijn;
- na monsterneming worden de monsters zo snel mogelijk geanalyseerd of zodanig geconserveerd dat zich geen concentratieveranderingen zullen voordoen;
- monsterneming en analyse dienen in overeenstemming te zijn met Goede-Laboratorium-Praktijk-eisen;
- analyse vindt plaats met tenminste twee onafhankelijke analysemethoden, die bovendien stofspecifiek zijn; bij voorkeur omvat een van de analysemethoden een massaselectieve detectie;
- een meetserie dient tenminste een aantal controlemonsters (blanco’s) te omvatten en enkele monsters waaraan de te onderzoeken stof is toegevoegd in hoeveelheden, die een concentratie veroorzaken in dezelfde orde van grootte als de te onderzoeken monsters (veelal 0,1 - 10 mg m-3 ; deze monsters zijn nodig om de bepalingsgrens van de analysemethode en de terugvindbaarheid van de stof in het onderzochte medium vast te stellen.
- de profiel-opbouw van het perceel of de omgeving van het filter (het intrekgebied van het filter), vooral de dikte, het organische-stofgehalte en het lutumgehalte van de diverse bodemhorizonten zijn van belang;
- de recente historie van het perceel of het intrekgebied (geteelde gewassen, grondbewerkingen, gebruikte middelen (inclusief hoeveelheden) en waterbeheersende maatregelen;
- de toepassingstijdstippen en de toepassingstechniek van het onderzochte middel;
- het stadium van het gewas of de teelt waarin het onderzochte middel is toegepast;
- de weersomstandigheden na de toepassing van het onderzochte middel (inclusief beheersmaatregelen zoals irrigatie), zo nodig worden gegevens van het dichtstbijzijnde weerstation gebruikt. Bij diepere filterstellingen is in den regel het exacte intrekgebied niet bekend. Dit heeft tot gevolg dat aan bovenstaande punten slechts indicatief aandacht kan worden besteed. Voor deze diepere filters moeten ook mogelijke niet-landbouwkundige bronnen worden geïnventariseerd.
- Bij de verdere interpretatie van de metingen kunnen aan de orde komen:
- de relatie tussen voorspellingen op basis van stofgegevens en de metingen;
- de extrapolatie van de metingen naar het standaardscenario (vergelijk bijlage II en III van de Regeling uitvoering milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen);
- de te verwachten concentraties in het grondwater bij een bepaalde teelt, rekening houdend met voorgeschreven doseringen en toepassingsfrequenties;
- het totale areaal (binnen een bepaalde teelt of binnen het toepassingsgebied van het middel) waarop uitspoeling boven de gestelde grenswaarde te verwachten is.