Bijlage I Regeling uitvoering milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen 2000: behorende bij de regeling uitvoering milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen 2000
Regeling uitvoering milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen 2000
In deze bijlage zijn criteria opgenomen t.a.v. laboratoriumstudies naar de omzettingssnelheid en mobiliteit in de bodem (Brouwer, Boesten, Linders en van der Linden, Pesticide Outlook, oktober 1994). Alleen relevante DT50-waarden worden meegenomen: Alleen relevante Kom-waarden worden meegenomen: De adsorptie-isotherm wordt bepaald met ten minste 3 uitgangsconcentraties, die elk beneden de wateroplosbaarheid van de betreffende stof dienen te liggen. Kom-waarden worden alleen uit de Freundlich vergelijking berekend als de Freundlich-exponent 1/n gelegen is tussen 0,7 en 1,1. De concentratiedaling in de vloeistoffase moet minimaal 10% bedragen, tenzij naast de concentratiedaling ook de geadsorbeerde hoeveelheid is gemeten. De schudtijd mag niet zo lang zijn dat meer als 3% van de te meten stof wordt omgezet tijdens het experiment, tenzij naast de concentratiedaling ook de geadsorbeerde hoeveelheid is gemeten. Indien de adsorptie beschreven wordt met een Langmuir-isotherm, dan wordt op basis van de experimentele resultaten een Freundlich-isotherm berekend. Experimenten waarbij de grondsuspensies niet worden geschud leveren geen relevante Kom-waarden. 1. De loopafstand van de betrokken verbinding moet voldoende duidelijk te bepalen zijn. 2. De waterflux dient niet hoger dan 10 cm/dag te liggen; is de flux hoger, dan wordt de Kom niet meegenomen, tenzij er dan geen of onvoldoende bruikbare Kom-waarden resteren. Het wordt dan een voorlopige ondergrens. Opmerking: Bij aanwezigheid van voldoende exacte waarden voor de Kom van een stof uit schud- en/of kolom-experimenten worden grond-laag-experimenten buiten beschouwing gelaten. De loopafstand van de stof ten opzichte van de loopafstand van het water moet voldoende groot zijn (de Rf-waarde ≥ 0,3). De loopafstand van de onderzochte stof moet te bepalen zijn uit de gegevens. Net als bij schudexperimenten dient hier, in verband met omzetting, op de duur van het experiment te worden gelet. De detectiemethode dient specifiek te zi
- 1. Bepaald bij een temperatuur van circa 20°C (15-25°C),
- 2. Bepaald bij een vochtgehalte van circa de veldcapaciteit (zuigspanning pF = 2-2,5),
- 3. Niet afkomstig uit veld experimenten,
- 4. Niet bepaald aan veengrond (organische gronden) of andere gronden die niet representatief zijn voor Nederland, tenzij binnen de overige waarden liggend,
- 5. De in het experiment gebruikte dosering dient in dezelfde orde van grootte te liggen als de praktijkdoseringen,
- 6. De gebruikte analysemethodiek dient specifiek voor de te onderzoeken stof te zijn,
- 7. Bepaald aan verse oorspronkelijke grond afkomstig uit het veld of uit een goed gedraineerde tussenopslag in de open lucht. Voor monstername en opslaan van grond zij verwezen naar ISO-methode 10381-6,
- 8. Er moet voldoende van de stof zijn omgezet; in de studie moet ofwel 90% omzetting bereikt zijn, of de omzetting moet 100 d zijn gevolgd,
- 9. Op de gebruikte grond mag tenminste in 2 voorgaande jaren het betreffende middel of een structuuranaloog niet zijn toegepast,
- 10. De DT50-waarde dient gebaseerd te zijn op verdwijning van de moederstof als gevolg van omzetting onder aërobe omstandigheden.
- 11. De grond mag voor aanvang van het experiment niet gemanipuleerd worden,
- 12. Dient bepaald te worden onder aërobe omstandigheden, onder uitsluiting van licht. De massa moet worden bepaald waarbij de vervluchtiging actief moet worden bepaald.
- 13. Alleen die meetpunten die in de eerste 100 dagen van de incubatie vallen en waarvoor ten minste 10% van de stof resteert, worden gebruikt voor de berekening van de DT50.
- 14. In het 0-100 dagen traject van de incubatie dienen, teneinde regressieanalyse mogelijk te maken voldoende meetpunten te liggen, dat wil zeggen ten minste 5 inclusief t=0. Is er een lag-fase, dan dienen binnen deze lag-fase 3 extra meetpunten te liggen.
- 15. De recovery van de analysemethode van de stof waarmee de studie wordt uitgevoerd dient ten minste 70% te bedragen.
- 16. Voor PEARL berekeningen (zie bijlage II en III van de Regeling uitvoering milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen) alleen die DT50-waarden die afkomstig zijn van experimenten met bovengrondmateriaal (0 - 20/30 cm).
- 1. 1. Kom-waarden, bepaald aan veengronden, sedimenten en voor Nederland niet relevante grondsoorten worden niet meegenomen. Verder dienen Kom-waarden aan bovengrondmateriaal bepaald te worden.
- 2. 2. Kom-waarden, bepaald voor formuleringen van de werkzame stof kunnen afwijken van die van het technisch product. Bij duidelijke afwijkingen worden ze niet meegenomen in de middeling van Kom-waarden van de werkzame stof.
- 3. 3. Gehalten mogen niet geanalyseerd zijn met behulp van biotoetsen; soms kan worden volstaan met alleen radioaktiviteitmetingen.
- 4. 4. Voor gronden met minder dan 0,5% organische stof wordt geen Kom voor de verdeling tussen waterfase en bodemfase berekend.
- 5. 5. Indien de betreffende stof in het voor de Nederlandse landbouwpraktijk relevante pH-traject geladen, dan wel een ladingsovergang kan ondergaan dan dienen de Kom-waarden bij hogere pH (7-8) te zijn bepaald.
- 6. 6. Kom-waarden kunnen alleen worden bepaald indien er een duidelijke correlatie tussen sorptie en organisch stofgehalte is.
- 7. 7. Voor bepaling van de Kom staan verschillende methoden ter beschikking. Voor elk van deze methoden zijn een aantal randvoorwaarden te geven (mate van omzetting, nauwkeurigheid, e.d.). Deze worden in de paragrafen 2.2, 2.3 en 2.4 gegeven.