Bijlage 2 Onderwerpen filosofie centraal examen havo 2001 en vwo 2001 en 2002: eindtermen bij het examen vwo 2001 en 2002
Onderwerpen filosofie centraal examen havo 2001 en vwo 2001 en 2002
Literatuur (verplicht): De wijziging kan niet worden doorgevoerd.
- 1. C. Buskes, ’Kennis op het scherp van de snede. Wat heet wetenschappelijk?’. 1999. In opdracht van de bcfvo, Nijmegen.
- 2. C.G. Hempel, ’Filosofie van de natuurwetenschappen’. 1970. Utrecht Het Spectrum. Pagina’s 13 - 37.
- 3. O. Neurath, ’Empiricism and Sociology’. M. Neurath, R.S. Cohen (eds). 1973. Dordrecht, Reidel. Pagina’s 301 -310.
- 4. K. Popper, ’De groei van kennis’. 1978. Boom Meppel. Pagina’s 56 - 67.
- 5. C. Lorenz, ’De constructie van het verleden. Een inleiding in de theorie van de geschiedenis’. 1998. Boom Meppel. Pagina’s 57 - 65 en 72 - 77.
- 6. W. Dilthey, ’Kritiek van de historische rede’. Boom Meppel. Pagina’s 124 - 133.
- 7. J. van Putten, ’Het helpt, maar werkt het ook?’ Filosofie Magazine 1999 - 5. Pagina’s 12 - 15.
- 1. De kandidaat kan de drie genoemde betekenissen van demarcatie uitleggen en bij een casus toepassen.
- 2. De kandidaat kan aangegeven op wat voor manieren er in het denken van de jonge Wittgenstein een demarcatieprobleem speelt en wat het transcendentale karakter is van dit denken.
- 3. De kandidaat kan de principes van verificatie, confirmatie en falsificatie uitleggen, herkennen en toepassen, de relatie tussen deze principes duidelijk maken en verschillende bezwaren tegen deze principes aanvoeren.
- 4. De kandidaat kan vier stadia van ideaal wetenschappelijk onderzoek onderscheiden: 1e. het waarnemen en vastleggen van alle feiten; 2e. het analyseren en kwalificeren van deze feiten; 3e. het daaruit inductief afleiden van generaliseringen; 4e. het toetsen van de generaliseringen.
- 5. De kandidaat kan aan de hand van een voorbeeld uitleggen in hoeverre het mogelijk is ’alle feiten’ waar te nemen en vast te leggen.
- 6. De kandidaat kan aan de hand van een voorbeeld uitleggen in hoeverre wetenschappelijke hypothesen en andere generalisaties worden afgeleid uit waargenomen feiten. Hij kan aangeven in hoeverre verbeelding en vrijuit denken daarbij een rol spelen.
- 7. De kandidaat kan het onderscheid uitleggen en toepassen tussen deductieve gevolgtrekkingen en inductieve gevolgtrekkingen.
- 8. De kandidaat kan uitleggen wat het doel is van de methode van logische analyse van ervaringskennis.
- 9. De kandidaat kan aangeven welke logische fouten er volgens Neurath in een metafysische theorie gemaakt worden. Hij kan deze in een voorbeeld aanwijzen.
- 10. De kandidaat kan aan de hand van een voorbeeld uitleggen waarom verificatie van een theorie door middel van confirmatie of bevestiging niet voldoende is om de wetenschappelijkheid van een theorie vast te stellen. Daarbij kan hij het belang van riskante voorspellingen uitleggen.
- 11. De kandidaat kan het demarcatiecriterium uitleggen en toepassen: een theorie is alleen wetenschappelijk wanneer zij in conflict kan komen met mogelijke, voorstelbare waarnemingen.
- 12. De kandidaat kan uitleggen wat de betekenis is van een theorie die onwetenschappelijk wordt genoemd. Hij kan dit met een voorbeeld illustreren.
- 13. De kandidaat kan het positivistische onderscheid tussen verklaren en beschrijven uitleggen en toepassen. Tevens kan hij duidelijk maken wat een ’overkoepelend wetmatig verklaringsmodel’ inhoudt en wat voor rol de begrippen ’oorzaak’, ’noodzakelijkheid’, ’syllogisme’ en ’deductie’ daarin spelen.
- 14. De kandidaat kan uitleggen in welke zin bovengenoemd verklaringsmodel een voorwaardelijke vorm heeft.
- 15. De kandidaat kan aan de hand van een voorbeeld uitleggen in welke zin niet alleen gebeurtenissen in de geschiedenis, maar ook in de natuur ’uniek’ of ’bijzonder’ zijn.
- 16. De kandidaat kan in een voorbeeld de samenhang tussen verklaren en voorspellen weergeven en uitleggen.
- 17. De kandidaat kan aan de hand van de genoemde kenmerken van de natuurwetenschappelijke verklaring argumenten van historici ontkrachten op grond waarvan zij het verklaringsschema van de natuurwetenschap afwijzen met betrekking tot de geschiedwetenschap.
- 18. De kandidaat kan aan de hand van een voorbeeld aangeven wat onder hermeneutiek in de zin van ’uitleggen van betekenis’ wordt verstaan en wat het verschil is met de natuurwetenschappelijke methode, zowel wat de aard van het object betreft als de manier waarop gebeurtenissen verklaard worden (zoals door Droysen en Huizinga wordt gesteld).
- 19. De kandidaat kan leggen hoe Droysen de verhouding tussen vorm en idee begrijpt en wat de vier fasen zijn in het verstaan van het verleden.
- 20. De kandidaat kan een onderscheid maken tussen natuurwetenschappen en geesteswetenschappen, voorbeelden van beide soorten wetenschap geven en duidelijk maken dat de geesteswetenschappen betrekking hebben op de mensheid (in die zin dat in laatstgenoemde wetenschappen menselijke toestanden ’inlevend worden beleefd’, in zoverre deze in levensuitingen tot uitdrukking komen en deze uitdrukkingen worden verstaan).
- 21. De kandidaat kan aangeven a) dat het onderscheid tussen een ’fysisch’ en ’psychisch’ domein voor Dilthey abstracties zijn van het volle menselijke (be)leven en b) dat binnen dit beleven veeleer sprake is van een ’innerlijke’ en ’uiterlijke’ verhouding tot iets (en wel vanuit het meer of minder expliciete geheel van de verworven levenssamenhang).
- 22. De kandidaat kan uitleggen hoe het onderscheid tussen natuurwetenschap en geesteswetenschap twee tendensen in de wetenschap te kennen geeft: 1) één waarin de mens steeds meer zichzelf uitschakelt om de natuur als een (uiterlijke) ordening van wetten te kunnen construeren 2) één waarin de mens juist inkeert tot in zijn eigen beleving en tot (innerlijke) zelfbezinning komt. Hij kan dit met voorbeelden illustreren.
- 23. De kandidaat kan uitleggen in welke zin gebouwen, kerken, gedichten e.d. voor Dilthey uitingen zijn van het ’innerlijke’ dat daarbij niet zozeer in termen van psychische toestanden of processen van de maker moet worden begrepen, maar als ’geest’. De kandidaat kan aan de hand van een casus (bijvoorbeeld over wetgeving,schilderij, gedicht, popmuziek e.d.) duidelijk maken hoe daarin de ’geest van een tijd’ tot uitdrukking komt.
- 24. De kandidaat kan de samenhang schetsen tussen leven, uitdrukking en verstaan. In dat verband kan hij duidelijk maken hoe iemand door het interpreteren van uitingen van zichzelf en anderen (en dus ook zijn eigen tijd of cultuur, dan wel die van anderen) zichzelf beter leert begrijpen, en wel op zodanige wijze dat hij daarbij ook altijd zijn eigen geleefde leven in de desbetreffende uitdrukking zal leggen.