Bijlage 1 Onderwerpen filosofie centraal examen havo 2001 en vwo 2001 en 2002: eindtermen bij het examen havo 2001
Onderwerpen filosofie centraal examen havo 2001 en vwo 2001 en 2002
De wijziging kan niet worden doorgevoerd.
- R.F. Beerling, ’Hydra macht’. Wijsgerig Perspectief, jaargang 11, 1970/1971, nummer 6.
- Marcus Aurelius, ’Persoonlijke notities’, Boek 3: 6, 16. Boek 4: 3, 4, 12, 19, 29. Boek 5: 1. Boek 6: 16, 20, 30, 48, 49, 50, 51, 52, 53, 54, 55, 56, 57, 58, 59. Boek 7: 34, 49, 55. Boek 8: 31. Boek 9: 9, 30, 40, 41, 42. Boek 10: 11, 12, 13, 31, 32, 33, 34, 35. Boek 11: 1, 8, 13, 14, 15, 18, 20, 21. Boek 12: 24,36. Vert. S. Mooij-Valk. Uitg. Ambo, 1997.
- Canetti, ’Massa en macht’, Elementen en Aspecten van macht. Vert. Jenny Tuin. Uitg. Athenaeum 1995.
- Hobbes , ’Leviathan’, hfst. 10, 11, 13, 14, 17 en 18. Vert. W.E. Krul. Boom 1995.
- Foucault, ’Discipline, toezicht en straf’, hfst. 3 t/m p 295. Historische uitgeverij Groningen, 1997.
- 1. De kandidaat kan een aantal algemene aspecten van macht herkennen, weergeven en toepassen, zoals:
- macht als algemeen en reëel verschijnsel;
- de ambivalentie van macht: het aantrekkende en afschrikwekkende;
- macht heeft de neiging zich te handhaven en zich uit te breiden;
- macht wil zich legitimeren;
- het wederzijdse karakter van macht: met betrekking tot degene die macht uitoefent en met betrekking tot de degene die macht ondergaat;
- recht en macht sluiten elkaar niet altijd uit;
- of macht al dan niet aanvaardbaar is, hangt af van hoe macht gebruikt wordt.
- 2. De kandidaat kan de genoemde en te noemen machtsopvattingen op hoofdpunten weergeven en daarbij met name een vergelijking maken tussen de opvattingen van:
- Marcus Aurelius en Hobbes,
- Hobbes en Foucault,
- Foucault en Canetti.
- 3. De kandidaat kan aan de hand van een casus een eigen standpunt over macht innemen en beargumenteren.
- 4. De kandidaat is in staat om elementen van macht en machtspatronen te herkennen in visuele representaties waarin macht een rol speelt (zoals politieke spotprenten).
- 5. De kandidaat kan uitleggen wat de Stoa en Marcus Aurelius verstaan onder een ’leven overeenkomstig de natuur’.
- 6. De kandidaat kan aangeven hoe bij Marcus Aurelius lichaam, ziel en geest worden onderscheiden en waarom het van belang is om de geest ’zuiver’ te houden.
- 7. De kandidaat kan uitleggen wat het ’innerlijk kompas’ (’geest’, ’redelijke ziel’, ’de god-in-ons’) inhoudt en hoe begeerten naar macht en roem daaraan ondergeschikt kunnen blijven.
- 8. De kandidaat kan uitleggen in welke opzichten Marcus Aurelius door het voorbeeld van zijn adoptief vader, keizer Antonius, werd geholpen om ’niet te verkeizeren’.
- 9. De kandidaat kan uitleggen welk onderscheid Canetti maakt tussen geweld en macht. Hij kan voorbeelden van of bij dit onderscheid noemen. De kandidaat kan elementen van machtsuitoefening in houdingen en gebaren herkennen.
- 10. De kandidaat kan uitleggen welk verband Canetti ziet tussen snelheid en macht. Hij kan hiervan een voorbeeld noemen.
- 11. De kandidaat kan uitleggen in welke zin het ’vragen’ een essentieel onderdeel vormt van het uitoefenen van macht. Hij kan hiervan een voorbeeld noemen.
- 12. De kandidaat kan uitleggen waarom het ’geheim’ de kern uitmaakt van macht. Hij kan daarbij verschillende voorbeelden geven (zowel van Canetti zelf als eigen voorbeelden) en hij kan tevens met voorbeelden aangeven hoe het geheim op verschillende niveaus en in verschillende perioden werkt(e).
- 13. De kandidaat kan uitleggen welke van bovengenoemde aspecten aanwezig zijn in de beschrijving van het panopticum.
- 14. De kandidaat kan uitleggen in welke zin Hobbes de staat opvat als een kunstmatige versie van het menselijk organisme, terwijl hij levende organismen begrijpt naar het model van een machine.
- 15. De kandidaat kan uitleggen in welke zin macht bij Hobbes wordt opgevat als het bezit van middelen om behoeften en toekomstige behoeften te bevredigen. Hij kan daarbij het onderscheid tussen natuurlijke macht en instrumentele macht uitleggen en hij kan uitleggen hoe instrumentele macht natuurlijke macht kan vergroten. Hij kan voorbeelden noemen van natuurlijke en instrumentele macht.
- 16. De kandidaat kan uitleggen dat de mens volgens Hobbes een rusteloos verlangen naar macht heeft, omdat machtsmiddelen - ter bevrediging en garantie van een behoorlijke bestaan - alleen maar zeker gesteld kunnen worden door nog meer macht.
- 17. De kandidaat kan uitleggen via welke redeneringen en vanwege welke hoofdzaken (wedijver, trots, wantrouwen) Hobbes komt tot zijn gedachte van een oorlog van allen tegen allen als de natuurlijke toestand van de mens.
- 18. De kandidaat kan uitleggen wat natuurrecht en natuurwet bij Hobbes inhouden. Hij kan uitleggen hoe de natuurlijke situatie van ieders recht op alles enerzijds en het streven naar vrede - zoals voorwaardelijk geboden door de natuurwet die door de rede aan het licht gebracht wordt (vgl. ’prisoners-dilemma’) - anderzijds, ertoe leiden dat een centrale macht (Leviathan) nodig blijkt om de vrede te waarborgen; voorts kan hij uitleggen dat de centrale macht ontstaat doordat individuen hun macht per contract overdragen.
- 19. De kandidaat kan uitleggen tot welke rechten voor de soeverein de oprichting van de staat als soevereine machtleidt en welke vrijheden onderdanen hebben. Hij kan Hobbes’ opvattingen herkennen in en toetsen aan eigentijdse situaties.
- 20. De kandidaat kan uitleggen in hoeverre de benadering van macht door Hobbes aspecten onderbelicht laat, zoals:
- de mogelijkheden om machtsbehoeften existentieel te overstijgen (vgl. Marcus Aurelius),
- de onderschikking van macht aan universele waarden of doeleinden: respecteren van vrijheid en vrijwilligheid aan de kant van het ’object’ van macht.
- 21. De kandidaat kan kanttekeningen plaatsen bij de voorstelling van Hobbes en anderen dat civilisatie (bijvoorbeeld de westerse) wordt voorafgegaan en omringd door samenlevingen die nog verkeren in de natuurlijke toestand van oorlog van allen tegen allen.
- 22. De kandidaat kan uitleggen wat Foucault bedoelt met ’disciplinerende macht’ (door hem een speciaal type van macht, resp. een ’modaliteit’ van de uitoefening van macht genoemd).
- 23. De kandidaat kan het verschil uitleggen tussen machtsuitoefening door de soeverein en dat wat Foucault ”disciplinerende macht” noemt.
- 24. De kandidaat kan verschillende elementen van het Panopticum relateren aan aspecten van disciplinerende macht. Hij kan elementen hiervan in beschrijvingen van andere situaties herkennen.
- 25. De kandidaat kan verklaren in welke zin disciplinerende macht een ’individualiserende functie’ heeft, en kan dit in verband brengen met de wijze waarop disciplinerende macht is ingericht.
- 26. De kandidaat kan uitleggen wat Foucault bedoelt met ’zelf-disciplinering’. Hij kan elementen hiervan in beschrijvingen van andere situaties herkennen.
- 27. De kandidaat kan uitleggen in welke zin de uitoefening van disciplinerende macht niet aan specifieke personengebonden is, en waarom daardoor de grens tussen degene die macht uitoefent en degene die macht ondergaat niet vastligt. Hij kan elementen hiervan in beschrijvingen van andere situaties herkennen.
- 28. De kandidaat kan een verband leggen tussen de gevangenis, de fabriek, het ziekenhuis en de school als uitdrukkingen/verschijningsvormen van disciplinerende macht.
- 29. De kandidaat kan de wetenschappelijke, pedagogische, economische en politieke functies van disciplinerende macht herkennen en omschrijven.
- 30. De kandidaat kan hedendaagse maatschappelijke verschijnselen zoals consumentisme en commercialisering (mode, reclame, amusementsindustrie) bespreken vanuit het perspectief van disciplinerende macht.