Bijlage 1 Uitvoeringsregeling BSE 2000-I
Uitvoeringsregeling BSE 2000-I
Het doel van het programma energiebesparing in industriële en agrarische bedrijven en algemene energieconversie 2000 is het bevorderen van de ontwikkeling en toepassing van energiebesparende methoden en technieken en van duurzame energie in industriële en agrarische bedrijven, en de verbetering van het energievoorzieningsysteem. Het programma omvat de volgende onderdelen: De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstelling van het programma, wordt bepaald door algemene aspecten en door onderdeelspecifieke aspecten. De algemene aspecten zijn: De onderdeelspecifieke aspecten worden voor zover van toepassing hierna per onderdeel aangegeven. ad a. Indien de slaagkans van een project te gering wordt geacht, zal het verlenen van subsidie niet aan de orde zijn. Voor het vaststellen van de slaagkans van een project wordt, naast een inschatting van de technische en financieel/economische haalbaarheid, tevens rekening gehouden met factoren van organisatorische, juridische en bestuurlijke aard, alsmede met de financiële draagkracht van de aanvrager. ad b. Onder het nieuwheidcriterium wordt in dit programma verstaan: Er dient sprake te zijn van voor Nederland in meer of mindere mate grensverleggende toepassingen. ad d. Bij de bepaling van de milieuverdienste wordt rekening gehouden met: ad e. De projectkosten worden getoetst aan de mogelijke energieverdienste. Hiertoe worden de projectkosten onder andere beoordeeld in termen van kosten per hoeveelheid bespaarde primaire energiedragers (gulden/GJ). ad g. Naast de bereidheid van de aanvrager tot het schrijven van een artikel, het organiseren van een workshop of het openstellen van technologie voor derden, wordt hierbij met name aandacht besteed aan de participatie van relevante partijen in het project. ad h. Een project wordt mede beoordeeld op basis van inzicht in de markttoepassing of het herhalingspotentieel van het specifieke project of product. ad i. Van belang is dat projecten zoveel mogelijk aanslui
- A. Ontwikkeling en implementatie van innovatieve energiebesparende technieken voor industriële toepassingen (SPIRIT);
- B. Demonstratie en marktintroductie van innovatieve energiebesparende technieken in de industrie (TENDEM);
- C. C. Energiebesparing in bedrijven in de glastuinbouw, de bloembollen- en de paddestoelensector;
- D. Nieuwe energieconversiesystemen en -technologieën (NECST).
- a. de slaagkans van het project;
- b. de nieuwheid van het project;
- c. de potentiële energieverdienste van het project;
- d. de milieuverdienste van het project;
- e. de projectkosten in relatie tot de potentiële bijdrage van het project aan de doelstelling van het programma;
- f. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid;
- g. de mate waarin relevante kennisoverdracht plaatsvindt;
- h. de toepassingsmogelijkheden van het projectresultaat in de markt;
- i. de mate waarin het project aansluit bij een aanwezig innovatietraject van de aanvrager of van anderen;
- j. de mate waarin wordt samengewerkt met andere (markt)partijen, bijvoorbeeld in technologieclusters of in marktclusters;
- k. indien van toepassing, de mate waarin wordt bijgedragen aan de realisatie van de doelstelling van een Meerjaren Afspraak (MJA).
- het toepassen van nieuwe technologieën,
- het geven van nieuwe toepassingen aan bestaande technologieën.
- de mate waarin CO2-emissies worden vermeden;
- de mate waarin emissies van andere milieubelastende stoffen worden gereduceerd;
- de mate waarin wordt vermeden dat verschuivingen van milieueffecten van het ene milieucompartiment naar het andere optreden.
- 1. stimulering van de introductie en implementatie van energiebesparende technologieën die reeds voor de industrie beschikbaar zijn of vóór 2003 beschikbaar komen;
- 2. stimulering van onderzoek en ontwikkeling van technologieën, die een doorbraak in de industriële energiebesparing kunnen realiseren en die vóór 2010 voor de industrie beschikbaar kunnen komen.
- procesbesturing en meet- en regeltechnieken;
- droogtechnieken;
- scheidingstechnologieën;
- restwarmtetechnologieën en procesintegratie;
- warmte-overdrachtstechnieken;
- verlichting van fabriekshallen.
- procesintensificatie en reactorontwerp;
- processynthese;
- geavanceerde katalysatoren.
- individuele bedrijven;
- brancheverenigingen;
- instellingen voor onderzoek en hoger of wetenschappelijk onderwijs;
- leveranciers en fabrikanten van productie-apparatuur of processen, alsmede van procesonderdelen;
- adviesbureaus.
- het project dient dusdanig innovatief en reproduceerbaar te zijn dat het binnen Nederland een voorbeeldfunctie op het gebied van verbetering van de energie-efficiency vervult;
- de verwachte energiekostenbesparing die in het kader van de uitvoering van het project gerealiseerd wordt, dient in verhouding tot de geraamde projectkosten dusdanig te zijn, dat het project om die reden rendabel is te achten;
- terzake van het project mogen door de aanvrager ten tijde van de aanvraag nog geen verplichtingen zijn aangegaan, met uitzondering van voorbereidingskosten die naar het oordeel van Novem niet bepalend zijn voor het al dan niet doorgaan van het project;
- de aanvrager is een ondernemer of een samenwerkingsverband van ondernemers;
- het project dient te worden uitgevoerd in een bedrijfstak die onderdeel uitmaakt van de categorie bedrijven die in de Standaardbedrijfsindeling 1993 van het Centraal Bureau voor de Statistiek is ingedeeld in de hoofdgroepen 15 tot en met 37, alsmede: in het geval van een samenwerkingsverband dient tenminste één van de deelnemers aan dat samenwerkingsverband tot één van deze categorieën bedrijven te behoren;
- a. industriële wasserijen (code 93011 en 93012);
- b. koelhuizen (code 63122);
- c. aardolie- en gaswinning (code 1110);
- het project dient gericht te zijn op het aanbrengen van wijzigingen in productie- en ondersteunende processen met het doel de energie-efficiency te verbeteren.
- 1. de verwachte energiebesparing die in het kader van dat project zal worden gerealiseerd in relatie tot de voor het project gevraagde subsidie (hoe hoger het aantal jaarlijks bespaarde kubieke meters aardgas of het equivalent daarvan per gulden gevraagde subsidie, hoe hoger de rangschikking);
- 2. het perspectief op energiebesparing elders in Nederland dat door een verwachte navolging van het project aanwezig is in relatie tot de voor het project gevraagde subsidie (hoe groter het perspectief op energiebesparing in Nederland, uitgedrukt in het aantal jaarlijkse bespaarde kubieke meters aardgas of het equivalent daarvan per gulden gevraagde subsidie, hoe hoger de rangschikking).
- 1 kWh elektriciteit komt overeen met 0,28 kubieke meter aardgas;
- 1000 liter huisbrandolie komt overeen met 1200 kubieke meter aardgas;
- 1 ton stookolie komt overeen met 1300 kubieke meter aardgas;
- 1 ton steenkool komt overeen met 925 kubieke meter aardgas.
- a. het koppelen of samenvoegen van industriële processtromen, al of niet met aanpassing van de procesparameters, teneinde een optimalisatie van energiestromen in het bedrijf van de aanvrager of tussen bedrijven van de aanvrager(s) te verkrijgen (procesintegratie), of
- b. het benutten van energie uit afvalstromen, eventueel gecombineerd met het opwaarderen van de temperatuur naar een bruikbaar niveau, of
- c. het toepassen van vernieuwende productie- of procestechnologieën, waaronder tevens begrepen dematerialisatie, het gebruik van hernieuwbare grondstoffen en het op een energie-efficiëntere wijze voldoen aan milieueisen, of
- d. het verbeteren van de besturing van productieprocessen, al of niet met gebruik van automatiseringsapparatuur (automatische regelapparatuur) en nieuwe sensortechnologieën, of
- e. het op een systematische wijze beheren en besturen van het energiegebruik en de energiekosten, zodanig dat procesinformatie, bijvoorbeeld door het gebruik van procescomputers, direct ter beschikking staat en waarbij door de invoering van energiebeheer een energie-efficiencyverbetering nagestreefd wordt, of
- f. het geven van nieuwe toepassingen aan bestaande productie- of procestechnologieën, of
- g. het aanpassen van de interne infrastructuur met inbegrip van industriële samenwerking ter verbetering van logistiek en transport, of
- h. het vervangen van een energiedrager door een andere energiedrager waarbij, berekend overeenkomstig het hierboven onder 1. bepaalde, een verlaging van primair energiegebruik bereikt wordt, of
- i. het toepassen van duurzame energieconcepten.
- a. een verlaging in het energiegebruik bij gelijkblijvende productiegrootte; of
- b. een verhoging in de hoeveelheid geproduceerd product bij gelijkblijvend energiegebruik; of
- c. een combinatie van a en b.
- plantenveredeling (vooral bij siergewassen);
- ontvochtiging en klimaatbeheersing; hierbij gaat de voorkeur uit naar projecten op het gebied van:
- het meten en verbeteren van de horizontale en verticale klimaatverdeling in de kas;
- geavanceerde klimaatbesturing op basis van optimalisatie van de temperatuur, de luchtvochtigheid en het CO2-gehalte;
- verbreding van de toepassingsmogelijkheden van temperatuurintegratie;
- ontwikkeling van softsensors;
- het vaststellen van marginale waarden voor CO2-dosering;
- onderzoek naar de relatie tussen klimaat, kwaliteit en productie;
- innovatieve kas- en teeltconcepten; hierbij gaat de voorkeur uit naar projecten op het gebied van innovatieve isolerende dekmaterialen (dubbelglas, aerogels, coatings en regelbare systemen) en (semi)gesloten kasconcepten;
- energievoorziening en -opwekking; hierbij gaat de voorkeur uit naar projecten op het gebied van de toepassing van innovatieve energieconversietechnieken en optimalisering van de huidige warmte- en elektriciteitsvoorziening (clustering, warmte van derden, optimalisering buffergebruik) en duurzame energie;
- onderzoek gericht op beïnvloeding van de gedragsfactoren voor de toepassing van energiebesparende opties.
- praktijkexperimenten en demonstratieprojecten die zijn gericht op een betere benutting van licht en energie door planten d.m.v. veredeling, energiezuinige ontvochtigingstechnieken en klimaatbeheersing, innovatieve kas- en teeltconcepten (inclusief nieuwe dekmaterialen), energievoorziening en opwekking en duurzame energiebronnen;
- kennisoverdrachtprojecten die tot doel hebben om via het gebruik van nieuwe media en via onderwijs en scholing innovatieve kennis over verbetering van de energie-efficiency en de mogelijkheden voor toepassing van duurzame energie over te dragen aan intermediairen (toeleveranciers, kassenbouwers, installateurs en voorlichters) alsmede aan groepen tuinders.
- instellingen en bureaus voor (praktijkgericht) onderzoek;
- bureaus gespecialiseerd in voorlichting;
- energiebedrijven;
- overkoepelende en regionale stands- en vakorganisaties;
- instellingen en bureaus voor praktijk- en beroepsonderwijs;
- verenigingen voor bedrijfsontwikkeling (studieclubs);
- adviesbureau’s;
- installateurs, leveranciers en fabrikanten van kassen, bollenschuren, teeltcellen en bedrijfsuitrusting;
- telers en verenigingen van telers (met name voor demonstratieprojecten en praktijkexperimenten en dan alleen in samenwerking met een van de voornoemde organisaties of bedrijven);
- overkoepelende en regionale stands- en vakorganisaties.
- technologische ontwikkeling voor decentrale energieconversie-systemen en -technologieën;
- systeemverkenningen van de hierbij behorende energie-infrastructuur.
- innovators;
- universiteiten en andere kennisinstellingen;
- de energiesector;
- ontwikkelaars en fabrikanten van componenten, apparaten en systemen;
- advies- en ingenieursbureaus;
- (potentiële) investeerders in en exploitanten van systemen voor energieproductie.
- voor onderdeel A. (SPIRIT): f 18.000.000,00
- voor onderdeel B. (TENDEM): f 10.980.000,00
- waarvan voor de eerste tender f 5.000.000,00
- waarvan voor de tweede tender: f 5.980.000,00
- voor onderdeel C. (Energiebesparing in bedrijven in de glastuinbouw, de bloembollen- en de paddestoelensector): f 6.097.500,00
- waarvan voor subonderdeel 1: f 5.700.000,00
- waarvan voor subonderdeel 2: f 220.000,00
- waarvan voor subonderdeel 3: f 177.500,00
- voor onderdeel D. (NECST): f 7.200.000,00