Art. 1 Besluit decentralisatie arbeidsvoorwaardenvorming universiteiten, hogescholen en onderzoekinstellingen, Begripsbepalingen

Besluit decentralisatie arbeidsvoorwaardenvorming universiteiten, hogescholen en onderzoekinstellingen

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en, voor zover het betreft het onderwijs op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving, Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;

b. instelling: een universiteit, een hogeschool of een onderzoekinstelling;

c. universiteit: een universiteit die is opgenomen in onderdeel a of b van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, alsmede de Open Universiteit;

d. hogeschool: een hogeschool die is opgenomen in onderdeel c, e of g van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

e. onderzoekinstelling: de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen te Amsterdam en de Koninklijke Bibliotheek te 's-Gravenhage, genoemd in artikel 1.2, onder d, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, alsmede de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek, genoemd in artikel 2 van de Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek;

f. personeel: de personen die in dienst zijn van de instelling, daaronder niet begrepen leden van colleges van bestuur, centrale directies of algemene besturen;

g. bestuur:

1° van een universiteit: het college van bestuur;

2° van een openbare hogeschool: de centrale directie of het college van bestuur;

3° van een bijzondere hogeschool: het instellingsbestuur, dan wel het college van bestuur, indien de statuten van de rechtspersoon waarvan de bijzondere hogeschool uitgaat, bepalen dat het college optreedt als instellingsbestuur;

4° van een onderzoekinstelling: het algemeen bestuur;

h. deelgebied: de gezamenlijke universiteiten, de gezamenlijke hogescholen of de gezamenlijke onderzoekinstellingen.