Art. 4 Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999, Onderzoek naar schadelijke micro-organismen
Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999
1. Iedere ondernemer is verplicht elk koppel pluimvee te laten onderzoeken op de aanwezigheid van de in de Bijlage, onderdeel a., bedoelde schadelijke micro-organismen. Voorts is iedere ondernemer verplicht monsters te nemen van voeders op zijn bedrijf. Het bestuur kan regels stellen omtrent het materiaal dat bemonsterd dient te worden, de wijze van bemonstering, alsmede het tijdstip waarop de bemonstering dient plaats te vinden.
2. Iedere ondernemer die een vleeskuikenbedrijf uitoefent is verplicht twee maal per jaar een koppel vleeskuikens bij vertrek van zijn bedrijf te onderzoeken op de aanwezigheid van de in de Bijlage, onderdeel b. bedoelde schadelijke micro-organismen. Vanaf een door het bestuur vast te stellen datum dient de ondernemer het in de vorige zin bedoelde onderzoek bij elk koppel uit te voeren.
3. Het in het eerste en tweede lid bedoelde onderzoek geschiedt door middel van het nemen van monsters. De monsters dienen te worden genomen door een erkende instantie, die wordt aangewezen door de voorzitter en werkt volgens een door het bestuur goedgekeurd protocol.
4. Iedere ondernemer die een opfokleghennenbedrijf en/of een leghennenbedrijf uitoefent is verplicht, in afwijking van het eerste lid, elk koppel pluimvee te laten onderzoeken op de aanwezigheid van de in de Bijlage, onderdeel c. bedoelde schadelijke micro-organismen.
5. In afwijking van het derde lid is het de ondernemer die een vleeskuikenbedrijf, kuikenbroederij of opfokbedrijf uitoefent in de door het bestuur bij besluit aangewezen gevallen toegestaan zelf monsters te nemen of te laten nemen.
6. Het is de ondernemer die een opfokleghennenbedrijf en/of leghennenbedrijf uitoefent toegestaan, in afwijking van het derde lid, monsters te laten nemen door een veterinair of paraveterinair.
7. Het bestuur kan regels stellen omtrent de wijze van bemonstering en het tijdstip waarop de bemonstering dient plaats te vinden.
8. De monsters dienen te worden onderzocht door een erkend laboratorium, dat wordt aangewezen door de voorzitter, op basis van door het bestuur vast te stellen erkenningsvoorwaarden.
9. Iedere ondernemer is verplicht de uitslag van het onderzoek, bedoeld in het eerste, tweede en vierde lid, twee jaar te bewaren.