Bijlage 1 Uitvoeringsregeling BSE 1999-IV
Uitvoeringsregeling BSE 1999-IV
Het doel van het programma Diensten 1999 is het bijdragen aan de realisatie van de energiebesparingsdoelstelling in de dienstensector, zoals die is geformuleerd in de Energiebesparingsnota uit 1998. Het programma is onderverdeeld in drie onderdelen. De voornaamste soorten projecten die voor subsidie in aanmerking komen, zijn: Ten behoeve van techniekontwikkeling en stimulering in zowel de nieuwbouw als bestaande bouw komen in 1999 de volgende projecten voor subsidie in aanmerking: haalbaarheidsprojecten, onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten, demonstratie- en marktintroductieprojecten en kennisoverdrachtprojecten die er op gericht zijn nieuwe technieken, methodieken of systemen voor de gebouwschil, die een substantiële bijdrage kunnen leveren aan het realiseren van besparingen in de nieuw- en bestaande utiliteitsbouw, grootschalig in de markt toegepast te krijgen. Met bedrijven, instellingen of branches uit de utiliteitsbouw, met name de zakelijke dienstverlening, de detailhandel en horeca, het onderwijs en de zorgsector, worden door de overheid meerjarenafspraken gemaakt waarin wordt vastgelegd op welke wijze er gewerkt zal gaan worden aan de realisatie van besparingsdoelstellingen. Naast de meerjarenafspraken wordt er met grote branches samengewerkt om op gestructureerde wijze kennisoverdracht plaats te laten vinden naar de individuele instellingen en bedrijven die binnen de branche vallen. In 1999 komen die projecten voor subsidie in aanmerking die plaatsvinden in het kader van meerjarenafspraken, branche-aanpakken of gemeentelijke besparingsplannen gericht op gemeentelijke gebouwen en faciliteiten. Het kan daarbij gaan om haalbaarheidsprojecten, onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten, demonstratie- en marktintroductieprojecten en kennisoverdrachtprojecten. De projecten dienen gericht te zijn op: De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma, wordt tevens bepaald door de volgende aspecten: Ad a. Voor het vaststelle
- onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten en kennisoverdrachtprojecten die gericht zijn op de ontwikkeling en toepassing van hulpmiddelen die gebruikt worden om tot een energie-efficiënt gebouwontwerp te komen en een directe relatie hebben met de energie-prestatienormering (EPN);
- haalbaarheidsprojecten, demonstratieprojecten en marktintroductieprojecten, die zich richten op het verbeteren van de marktsituatie voor het bouwen op een aanzienlijk lager energetisch niveau dan het energetisch niveau dat overeenkomt met de energieprestatie-eis (energieprestatiecoëfficiënt (EPC)-waarden 2000) in het Bouwbesluit (Stb. 1999, 138); projecten komen voor ondersteuning in aanmerking als het streven is minimaal 15% onder de EPC-eisen van 2000 te gaan bouwen; het betreft hier bij voorkeur gebouwen uit de sector onderwijsgebouwen, bijeenkomstgebouwen, gezondheidszorggebouwen, horecagebouwen, logiesgebouwen, winkelgebouwen en sportgebouwen; kantoorgebouwen komen alleen in aanmerking indien in 1998 een haalbaarheidsstudie is uitgevoerd;
- haalbaarheids- en demonstratieprojecten die zich richten op te renoveren gebouwen met zodanige beperkende technische omstandigheden dat zij vrijstelling zouden kunnen krijgen van de verplichting te voldoen aan de energieprestatiecoëfficiënt (EPC-eis) in het Bouwbesluit; de projecten moeten als doel hebben het realiseren van een energetisch niveau dat tenminste overeenkomt met de energieprestatie-eisen 2000 in het Bouwbesluit (EPC-eis);
- kennisoverdrachtprojecten m.b.t energieprestatienormering; voor deze projecten komen in dit verband branche-organisaties uit de bouwwereld in aanmerking voor subsidie.
- het opstellen van meerjarenplannen en monitoringsystematieken voor een sector;
- het verbeteren van de procesefficiency in bedrijven en instellingen door het invoeren van integrale energiezorg en het verbeteren van de interne en externe logistiek;
- het als haalbaarheids- of onderzoeks- of ontwikkelingsproject uitvoeren van energieonderzoeken ten behoeve van het opstellen van bedrijfsenergieplannen en/of energiebesparingsplannen, voor zover de betreffende projecten niet passen binnen de Subsidieregeling energie-efficiency- en milieuadviezen Schoner Produceren; het resultaat van het energie-onderzoek dient duidelijk te maken welke verbeteringen mogelijk zijn op energiegebied en welke maatregelen daarvoor genomen kunnen worden; uitsluitend door de aanvrager aan een externe adviseur ten behoeve van het energie-onderzoek betaalde kosten kunnen als projectkosten in aanmerking worden genomen; de subsidie bedraagt maximaal 50% van de projectkosten tot een maximum van f 7.500,00 per object; daarbij wordt onder object verstaan:
- 1) een vaste installatie in de open lucht of een niet voor permanente bewoning bestemd gebouw of gedeelte daarvan, waarvan het energiegebruik afzonderlijk wordt gemeten, of
- 2) één of meer woongebouwen waarvan het beheer in handen is van één rechtspersoon.
- a. de slaagkans van het project;
- b. de milieuverdienste van het project;
- c. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen;
- d. de mate waarin het project past in een aanwezig innovatie-traject van de aanvrager of van anderen;
- e. de projectkosten in relatie tot de bijdrage aan de realisatie van de doelstellingen van het programma;
- f. de nieuwheid van het project;
- g. de toepassingsmogelijkheden van het projectresultaat in de markt;
- h. de kostprijs(verlaging) van een voor het programma relevante techniek;
- i. de mate waarin relevante kennisoverdracht plaatsvindt.
- toepassing van nieuwe dan wel vernieuwende technologieën;
- het geven van nieuwe toepassingen aan bestaande technologieën.