Bijlage 7 Uitvoeringsregeling BSE 1999-III
Uitvoeringsregeling BSE 1999-III
Het doel van het programma is het bereiken van energiebesparing door middel van de marktimplementatie van thermische energieopslag in aquifers ten behoeve van koeling en/of verwarming in de utiliteitsbouw, de industrie, de woningbouw en de agrarische sector. Het programma is ingedeeld in vier onderdelen. De voornaamste soorten projecten die in 1999 voor een subsidie in aanmerking komen, zijn: De voornaamste soorten projecten die in 1999 voor een subsidie in aanmerking komen zijn: De voorkeur wordt gegeven aan ’turn-key’ projecten, omdat daardoor de realisatietijd en de totale investering, door beperking van het aantal betrokken partijen, kunnen worden verlaagd. De hoogte van de subsidie is mede afhankelijk van de meerinvestering t.o.v. alternatieve, minder energiezuinige oplossingen en bedraagt maximaal f 150,00 per kW koelvermogen. De voornaamste soorten projecten die in 1999 voor een subsidie in aanmerking komen zijn demonstratieprojecten m.b.t. kantoren met een gecombineerde toepassing van de volgende technieken: warmte- en koudeopslag in een aquifer, warmtepomp, lage temperatuur verwarming en hoge temperatuur koeling, waarbij de EPC kleiner of gelijk is aan 1,4. Voor deze projecten geldt, dat de subsidie maximaal f 15,00 per m2 bruto vloeroppervlak en maximaal f 200.000,00 bedraagt. De voornaamste soorten projecten die in 1999 voor subsidie in aanmerking komen zijn praktijkexperimenten en demonstratieprojecten, gericht op doelmatige aanpassing bij reeds gerealiseerde projecten. Deze projecten dienen gericht te zijn op het oplossen en evalueren van problemen bij gerealiseerde projecten die, gezien de stand van de techniek op het tijdstip van realisatie, redelijkerwijs niet voorzien en derhalve redelijkerwijs niet voorkomen konden worden. De voornaamste soorten projecten die in 1999 voor subsidie in aanmerking komen zijn praktijkexperimenten, waarbij duurzame warmte of afvalwarmte, via energieopslag in aquifers, wordt benut als warmtebron voor individuele warmtepo
- haalbaarheidsprojecten gericht op de toepassing van aquifer opslagsystemen in de sectoren industrie, utiliteitsbouw en agrarische sector; de subsidie per haalbaarheidsproject zal maximaal 30% van de projectkosten en maximaal f 10.000,00 bedragen; indien sprake is van een haalbaarheidsproject, gericht op de realisatie van kantoren met een gecombineerde toepassing van de volgende technieken: warmte- en koudeopslag in een aquifer, warmtepomp, lage temperatuur verwarming en hoge temperatuur koeling, resulterend in een EPC kleiner of gelijk aan 1,4, dan bedraagt de subsidie maximaal 50% van de projectkosten met een maximum van f 30.000,00; de haalbaarheidsprojecten kunnen betrekking hebben op studies naar de rentabiliteit van koude-opslag, lage temperatuur warmteopslag en hoge temperatuur warmteopslag; het opslagsysteem bestaat uit ten minste één onttrekkingsbron en ten minste één injectiebron, die grondwater, als opslagmedium, oppompen en weer injecteren;
- onderzoeksprojecten gericht op de evaluatie van de ervaringen bij reeds gerealiseerde energieopslag projecten en gericht op technische aspecten van midden en hoge temperatuur warmteopslag; de projecten dienen bij te dragen aan de verdere ontwikkeling van aquifer opslagsystemen en aan de verlaging van de kostprijs van opslagsystemen.
- – demonstratieprojecten m.b.t. proceskoeling in de industrie en klimatisering in de utiliteitsbouw, met een thermisch koelvermogen van maximaal 500 kW, waarbij de ’hard ware’ door de leverancier turn-key wordt aangeboden en waarbij bij voorkeur ook de engineering, de vergunningaanvraag en een garantieregeling in de turn-key aanbieding begrepen zijn; demonstratieprojecten in de agrarische sector, met een thermisch koelvermogen van 250 tot 500 kW, waarbij sprake is van een ’turn-key’ aanbieding door de leverancier van hard ware, engineering, vergunningaanvraag, garantieregeling en bijvoorkeur een onderhoudscontract.
- a. de slaagkans en de toepassingsmogelijkheden van het projectresultaat in de markt;
- b. de milieuverdienste van het project;
- c. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen;
- d. de projectkosten in relatie tot het totaal beschikbare budget en de relevantie van het project met betrekking tot de realisatie van de doelstelling van het programma;
- de mate waarin relevante kennisoverdracht plaatsvindt.
- maatregelen die worden genomen ter beperking van emissies;
- mate van productie of beperking van reststoffen;
- verschuivingseffecten van milieuproblemen van het ene milieucompartiment naar het andere.