Bijlage 2 Thema's centraal examen en staatsexamen klassieke taal en letterkunde 2001
Thema's centraal examen en staatsexamen klassieke taal en letterkunde 2001
Syllabus CE Latijn 2001 kernauteur: Caesar genre: historisch proza subtitel: Verslaggever of propagandist?: Caesar, Commentarii de bello Gallico thematiek: Hoe manipuleert Caesar de lezer? Aanbevolen editie: Teubner, W. Hering, 1987 Bij de beantwoording van vragen over de gelezen authentieke teksten is het gebruik van een woordenboek Latijn-Nederlands is toegestaan. De titel van Caesars boek over de oorlog die hij in Gallië voerde, geeft aan dat hij zijn verhaal als een zakelijk verslag presenteert. Met commentarii duidde men in Rome ambtelijke rapporten van magistraten aan. De opbouw van het werk -de oorlogshandelingen van één jaar per boek- en Caesars zakelijke stijl versterken het karakter van objectief verslag. Men kan evenwel vraagtekens plaatsen bij dit ogenschijnlijk zakelijke en objectieve karakter van Caesars werk. Hij blijkt een handig verteller te zijn, die de kunst verstaat zijn politieke en militaire optreden in Gallië vanuit zijn eigen perspectief aan zijn lezers over te brengen en hen daardoor voor zich te winnen. De centrale thematiek vanwaaruit het pensum gelezen wordt, betreft de vraag hoe Caesar de lezer ondanks de sfeer van sobere zakelijkheid in de door hem gewenste richting stuurt. (De met een asterisk gemarkeerde passages worden in vertaling gelezen) DBG I.1 Een van Caesars manipulatietechnieken is het voorbereiden van de lezer. Het inleidende hoofdstuk is daar een voorbeeld van. Caesar zet verschillende vertellijnen uit in dit hoofdstuk. Vanuit het perspectief van de alles overziende veldheer wordt de blik gericht op geheel Gallië. De etnologische en geografische details van de beschrijving wijzen op eventuele militaire/politieke risico's en gevolgen: de Germanen komen in het zicht als potentieel gevaar. DBG I.2 De politieke dimensie van Caesars optreden komt aan bod: dreiging voor de Romeinse provincie Gallia Transalpina, wanneer de als gevaarlijke afgeschilderde Helvetiërs gebiedsuitbreiding zoeken in het Zuiden. Caesar wil laten overkomen
- 1. De arrestatie van Romeinse militairen die op zoek waren naar proviandering;
- 2. Opstand nadat de Veneti zich hadden overgegeven;
- 3. Ontrouw worden ondanks het leveren van gijzelaars;
- 4. Een complot van zoveel stammen;
- 5. De kans dat andere stammen gaan denken dat dit zomaar kan. Het zijn rechtvaardigingen die ook nu nog wel bij vijandelijkheden gebruikt worden.
- Caes. c. 4: een illustratie van daadkracht op jonge leeftijd;
- Caes. c. 10: maatregelen om de sympathie van het volk te winnen;
- Caes. c. 22: zijn "keuze" van Gallië en arrogantie;
- Caes. c. 25: samenvatting van zijn beleid en militaire actie in Gallië;
- Caes. c. 50-52.1: Caesar als vrouwendief;
- Caes. c. 56.1-4; typering van De Bello Gallico;
- Caes. c. 57-58: uithoudingsvermogen en durf;
- Caes. c. 60, 62, 65-67: typering als veldheer.
- Wanneer Caesar zijn eigen optreden beschrijft, gebruikt hij steeds de derde persoon. Hierdoor wordt bij het lezerspubliek een grotere afstandelijkheid en objectiviteit gesuggereerd. Bovendien is Caesar zo in de gelegenheid zijn naam uitdrukkelijk te laten doorklinken;
- Caesar vertelt de gebeurtenissen meestal vanuit het afstandelijk perspectief van de boven de gebeurtenissen staande alwetende auteur, maar soms vanuit het directe perspectief van de handelende persoon;
- Caesar gebruikt veelvuldig in gesprekken en redevoeringen de indirecte rede. In enkele gevallen gebeurt dit zelfs zonder een inleidend verbum dicendi. Hiermee wekt hij de suggestie de eigen woorden van derden weer te geven, zonder dat hij erop aangesproken kan worden dat hij de betreffende woorden van hen verkeerd zou hebben weergegeven;
- Op hoogtepunten van het verhaal maakt Caesars zakelijke presentatie vaak plaats voor een grotere betrokkenheid (korte zinnen, paratactische zinsbouw, praesens historicum, infinitivus historicus, soms directe rede);
- Compositorisch hanteert Caesar vaak een indeling in drieën, zowel op macrostructureel niveau (de afzonderlijke boeken of grotere onderdelen daarvan) als op microstructureel niveau (de capita).
- 1. Caesar - Helvetii (I, 1-15);
- 2. Caesar - Haedui (I, 16-20);
- 3. Caesar - Helvetii (I, 21-30).
- 1. Doelen die Orgetorix met het wegtrekken van de Helvetii verwezenlijken wil (I, 2, 1-2);
- 2. De geografische situatie van de Helvetii (I, 2, 3);
- 3. Redenen van de Helvetii om weg te trekken (I, 2, 4-5). Ook zijn in het Caesars vertelpatroon vaak drie elementen te onderscheiden: eerst wordt uitvoerig de moeilijke situatie geschetst, daarna gaat Caesar in op de moed en discipline van de Romeinse soldaten en tenslotte voert hij zichzelf op als veldheer en redt - door zijn persoonlijk optreden - de situatie.
- de frequent gebruikte vaste combinaties van woorden en typische wendingen, zoals proficisci in Morinos, hostes proelio lacessere, ea re nuntiata, quae dum geruntur; in overeenstemming met de aard van commentarii is het frequente gebruik van participiumconstructies in plaats van de vaak langere bijwoordelijke bijzin;
- Caesar gebruikt ook veelvuldig nevenschikkende verbindingswoorden, zoals et, -que, die niet alleen woorden maar ook delen van zinnen met elkaar verbinden;
- voortvloeiend uit zijn streven naar brevitas is Caesar weliswaar spaarzaam in het gebruik van stilistische middelen, maar toch maakt hij er wel degelijk gebruik van bij mededelingen die hij als bijzonder belangrijk wil kenmerken, met name in redevoeringen. De meest voorkomende middelen zijn:
- anafora;
- asyndeton;
- chiasme